zaterdag 28 december 2019

MONUMENTJE



Ineens waren jullie er weer, heel even, in mijn gedachten.
Toen we wegreden stonden jullie ons, gearmd, na te zwaaien, achter het raam van het steeds donker wordende huis.

Al zeven maanden was er niet meer geleefd in het huis. Er was in gestorven, gehuild, opgeruimd, afscheid genomen, veel gepraat.

Derde Kerstdag 2019. Het mocht geen Kerst meer heten van Mark dus noemden we het een verjaardag. Zoals altijd kwamen we binnen in groepjes, Meike, haar vriend Ismaël en ik als eerste.
Er stonden dozen in de kamer, spullen die we hadden opgeruimd de voorlaatste keer dat ik er was. De grote achterdeur ging open en alles werd onder de mooie luifel gezet die twee jaar geleden nog opgehoogd en verankerd was. Onwillekeurig keek ik even in het schuurtje, de werkbank stond nog zoals op 15 mei, sindsdien niet aangeroerd. De grote tafel werd leeggeruimd zodat er borden op gezet konden worden. En toen gingen de lichten aan en begon het huis, voorzichtig, weer te leven.

Ik wond de klok op, iemand was het daar blijkbaar niet mee eens want één van de drie gewichten knalde van het haakje af, bijna mijn teen meenemend in haar tocht naar de aarde. Moest de tijd stilstaan? Ik vond van niet, de tijd gaat meedogenloos door, je kunt daar over treuren maar je kunt je ook laten meevoeren, de verrassende toekomst in.
Daar waren Astrid, Jelmer en Wietske en was in ieder geval ons gezin compleet. Er was een visschotel, ongekookte pasta, de vleesbroodjes van Ismaëls moeder, zoals die alleen ooit in Suriname werden gemaakt en nu dus weer opdoken in Oosthuizen, jammer, jullie hadden ze niet meer geproefd.
Annelies, Gerbert, Eline, Marieke, Mathijs, ze arriveerden, ook al met een Citroen Xsara, die dingen zijn besmettelijk. Vleesschotels, kipkluifjes, tulband.
De pasta moest gekookt maar het kookstel had het inmiddels laten afweten, gelukkig was daar de super-praktische buurvrouw Anja, het tafeltje van de grammofoon was van haar hand. Zij had in haar garage een één-pits inductie-plaatje liggen. Ja, zo’n garage, geen wonder dat ze het zo goed met haar buren kon vinden.
Als laatsten, tradities zijn mooi, kwamen Mark en Ron, eerstgenoemde nog onwenniger dan wij allen. Hij had dit huis al achter zich gelaten, dacht hij. Maar ja….een verjaardag…vooruit dan maar…..
Er kwam enige koelte binnen, de sfeer bevroor lichtjes. Maar iedereen ging dapper door, stoelen werden neergezet, pasta werd gekookt, borden werden gepakt, bestek en bekers lagen er nog, kaarsen werden aangestoken, muziek aan, Mozart, ja, de eerste warmte kwam binnen.

Er werd gegeten, gedronken, ontdooid, mensen deden hun best. Tussen alle gesprekken door hoorde ik haar ineens, heel zachtjes, belangstellend vragend hoe het met iedereen was. Wat nooit gebeurde: Mark vroeg hoe het met mij was. Ik vertelde hem een paar dingen en ineens praatten we met elkaar.

Het eten was lekker, een deel van de kinderen ging buiten spelen en er volgde ineens een hilarisch verhaal van Ron over een stinkende collega. Het grote licht ging spontaan aan, iemand meldde dat er meer leven was dan we dachten.
We voelden ons thuis, een familie, een mooie avond. Er was licht, vrolijkheid, eten, er werd gelachen.
Uiteindelijk naar huis, het was nu echt mooi geweest.
Even was het huis weer een huis van leven, van mensen, van liefde geweest.

Ja, jullie waren er weer, eventjes, in mijn gedachten.
En ook hier, voor eeuwig, gevangen in mijn letters.
Ik hoop dat jullie er ook van genoten hebben.

zaterdag 9 november 2019

POST VAN EEN "BAKKRA"



Ik vraag me al heel lang af waar mijn totale fascinatie voor dat Zuid-Amerikaanse land vandaan komt. Uiteindelijk heb ik er niet langer dan 2 jaar van mijn jeugd doorgebracht, niet eens de zogenaamde “formatieve” jaren (welke zijn dat trouwens?).
Ongetwijfeld kunnen psychologen het volledig verklaren. Ikzelf vermoed dat het ermee te maken heeft dat ik als onbevangen kind in een totaal onbekende omgeving terecht kwam waar letterlijk alles anders was: de omgeving, de mensen, de cultuur, ja, zelfs het onderwijs ging er heel anders aan toe dan ik gewend was.
Het bijzondere is bovendien dat ik destijds nog rondliep in een behoorlijk veilige versie van Suriname, een plek waar je als jochie van zeven zonder enig probleem op je fietsje de stad (nou ja, de buitenwijken) door kon rijden, waar niet heel veel criminaliteit was en waar de welvaart nog enigszins verdeeld werd onder de mensen. Met name dat laatste is na 1975 rap een andere kant op gegaan en nu leeft een fors deel van de mensen in veel diepere armoede dan voordien het geval was, waardoor sommigen vaker hun toevlucht zoeken tot crimineel gedrag.
Van je zesde tot je achtste levensjaar ben je bovendien enorm bevattelijk voor het leren van nieuwe dingen en dat is dus precies wat bij mij gebeurde: alles wat ik zag, meemaakte, rook en hoorde zoog ik op en zette zich vast in mijn geheugen, oproepbaar voor als ik eens een gedachtenreis wilde maken.
Zodoende ben ik tot op de dag van vandaag heel aardig in staat een virtuele reis te maken door de straten van Paramaribo anno 1975, vanaf de Waterkant de stad in, verder langs het standbeeld van Kwakoe, rijdend naar het Academisch Ziekenhuis waarvoor we linksaf sloegen richting de Gemenelandsweg, de geasfalteerde weg richting Uitvlugt, waar we woonden. Ik zie de supermarkt aan mijn linkerhand, rechts het winkeltje van Jacquelien, een kleine buurtsuper bestierd door een Chinese dame en dan de zandpaden op, de Gondastraat met daarin eerst rechts een huis waar ze drie honden hadden die beter niet het erf af konden komen als je aan kwam fietsen want het waren krengen. Verderop een stukje onbebouwde bush, links het rattenlijkje hangend aan de electriciteitskabel, de oude bananenbomen en dan uiteindelijk rechts de zwarte poort van de oprit onder ons rode Bruynzeelhuis op neuten.
Ook zie en hoor ik de omgeving van mijn huis, veel mensen die daar woonden en vooral ook hun honden, waarbij je wist welke OK waren en welke niet.
Het was een vrije tijd, je kwam om half één uit school, moest wat huiswerk maken en had dan de rest van de middag aan jezelf. Mijn zusje speelde vooral rond het huis, was nog te klein om zelf naar buiten te mogen en mijn broertjes waren sowieso nog babies.
Dat, mijn leven daar, heeft zich onuitwisbaar in mijn hoofd genesteld. In de jaren nadat we terug waren in Nederland speelde het in eerste instantie geen grote rol maar vanaf 1980, toen Desi Bouterse de macht greep, volgde ik alle nieuws uit het land op de voet.
Inmiddels zijn we jaren verder, zijn er moorden gepleegd door de regering, is er een totale guerilla burgeroorlog gevoerd in de binnenlanden, is Suriname economisch aan enkele afgronden geweest en is in het land heel veel meer corruptie dan eerder al het geval was. Maar het blijft Suriname, dat hele mooie land dat zo bepalend is geweest voor mij en mijn familie.
De vrienden die mijn ouders destijds hadden zijn vrijwel allemaal overleden of op zijn minst erg oud. En zo zit ik dus met mijn herinneringen, mooie herinneringen en paar iets minder mooie. Er zijn nog maar weinig mensen die deze herinneringen delen, ik kan ze hooguit vertellen aan andere die het horen willen. Komende tijd ga ik kijken wat ik allemaal naar boven kan krijgen uit dat hoofd van me. Ik word daarbij geholpen door vele oude brieven die ik vond in het huis van mijn ouders en wellicht mensen die me hun eigen herinneringen uit die jaren kunnen vertellen.
Uiteindelijk hoop ik het beeld uit mijn hoofd te kunnen herscheppen op papier, dat beeld van Paramaribo, stad aan de Suriname-rivier, in de laatste jaren dat de Hollanders er iets te zeggen meenden te hebben…

woensdag 7 maart 2018

STEM UIT EEN VER VERLEDEN


STEM UIT EEN VER VERLEDEN


Ineens was ze daar! Al meer dan 30 jaar had ik niets meer van haar gehoord. Het laatste wat ze tegen me zei was “ik hoop het jongen”, nadat ik haar had verteld dat het morgen vast beter zou gaan.

Tegen beter weten in trouwens…ik zag dat ze zich hopeloos rot voelde en hoopte eigenlijk alleen maar dat ze zich nog wat minder vervelend zou gaan voelen.

Ze was altijd al bij me geweest. Op me passend als mijn moeder er niet was of als mijn ouders een paar dagen erop uit gingen. Na een paar jaar ging dat niet meer, ze kon het niet goed meer regelen allemaal. Ze logeerde bij ons, onderin mijn stapelbed, ik lag in het bovenste. 
Ik heb nog een heel heldere herinnering aan een herfstdag, dinsdag 1971. Een bus die wegrijdt bij de Grote Kerk en rechtsaf slaat de snelweg op. E10. Mama en ik zwaaiend en zij terugzwaaiend, een beetje verdrietig dat ze weer ging.

Altijd spelletjes, het Mens-erger-niet met de dobbelsteen onder het koepeltje in het midden waar je op moest drukken heb ik nog steeds, nogal beschadigd maar ik heb niet de moed om het weg te gooien. Hart-herinnering met een gat er in. Lotto spelen wat ze steevast “kienen” noemde. Memory, waarbij ze maar heel zelden, steeds minder, van me kon winnen. En pesten met rode kaarten, de geur van vergeeld papier eraan gekleefd. 
Tot ik op een dag andere kaarten pakte en nog exact haar woorden weet: “Heb je geen andere kaarten? Deze benne zó dik!” Met dubbel “oo” eigenlijk want zo schreef ze het ook. Nog steeds.
Dat laatste weet ik pas sinds gisteren. Toen opende ik voor het eerst het doosje. Het doosje met brieven waarvan ik wist dat het bestond maar de waarde maar voor een deel kon bedenken. Onschatbaar. Dus.

De brieven waren geschreven door een jonge vrouw, 32, met 2 kleine kinderen, 2 en net 6. Ze was geëmigreerd naar Suriname, 7000 zeemijl van haar familie en haar moeder weg. En schreef direct op de eerste dag dat we daar waren een brief aan haar. Geen internet, geen snelle post eigenlijk. Suriname – Nederlands was echt de wereld over, in 1973.

Dus haar moeder ontving de brief pas 2 weken later en schreef direct een antwoord. Ook de antwoorden zaten in dat doosje. Ze zat bij haar jongste dochter in Roden, ging de volgende dag naar haar zoon in Tuindorp Oostzaan, het dorp waar ze zelf lang had gewoond. 
Ze was blij te horen dat alles goed ging, was benieuwd hoe het verder ging. Ze wist nog niet dat ze een jaar later zelf een paar maanden “over” zou komen, zij, die nog nooit verder dan vakantie in Elspeet was geweest.
En aan het eind van die brief hoorde ik haar ineens. Ze zei dat ze best ook eens in de Palmentuin wilde komen kijken. En…ze vroeg of ik al vriendjes had, of ik al spelletjes deed. En dat ik goed moest oefenen zodat we weer fijn samen zouden kunnen spelen als ik ooit weer in Nederland zou zijn.
Ja, ik hoorde het haar zeggen. Oma Hus. De liefste oma die ik ooit heb gehad.
Ik heb een schat in huis, een doosje met woorden die meer waard zijn dan het huis zelf….

vrijdag 25 maart 2016

EEN KOPPIG BIERTJE

 
 
 
 
 
 
Tiktik….tiktik……
Ik word wakker van het hinderlijke getik en doe mijn ogen open.
Het eerste wat ik zie is een bewolkte hemel, de takken van de bomen, zwanger van lente.
En daar….net onder de bovenste tak…zit hij: een mooie blauw-rode specht.
 
Er zijn erger dingen om mee wakker te worden, besluit ik.
Wel vind ik het hinderlijk dat er iets in mijn oor kriebelt.
Ik wil het wegslaan maar dat lukt me niet. Om de één of andere reden kan ik mijn armen niet bewegen. Ik wil opstaan, omhoog komen en zien wat het probleem is. Maar ook dat gaat niet.
Het lijkt erop dat ik totaal geen gevoel meer in mijn lichaam heb.
 
Ik denk na. Hoe komt het überhaupt dat ik midden in een bos wakker word? Ik ga mijn gangen na van de vorige avond. Ja, het was nogal op een drinkgelag uitgedraaid, die laatste avond voor…ja, voor wat eigenlijk??? Ik zie heel vaag mezelf zitten aan een lange tafel, bier loopt over mijn inmiddels flink onvaste handen en langs mijn kin. Toch slaag ik er nog in het meeste in mijn keelgat te doen belanden…
Mijn vriend Bolge ondersteunde me, dat herinner ik me nog… maar toen….
 
Het gekriebel in en aan mijn oor wordt onverdraaglijk. Ik hoop dat er snel iemand langs komt die wat hulp kan bieden. Ik probeer met mijn hoofd te schudden maar ook dat gaat moeizaam. Verder dan een heel klein beetje gewiebel kom ik niet. Toch lijkt het erop dat het gekriebel iets minder wordt.
 
In de verte hoor ik voetstappen. Mooi! Ik kijk in de richting waar ze vandaan komen. Aha….één van de meisjes uit het dorp, waarschijnlijk op weg om de was te gaan doen of zo. “Hee daar”, roep ik, “kun je me even helpen?” Eerst lijkt ze me niet te horen dus ik roep nogmaals. Ze kijkt om zich heen, de sufferd denkt dat ik op mijn voeten sta. “Nee, hier beneden!”roep ik dus.
Ze kijkt…ik zie haar ogen groot worden, haar gezicht bleek en dan…valt ze in katzwijm.
Ja, daar schiet ik natuurlijk niets mee op.
 
Ineens schiet het me te binnen! De reden dat we de vorige avond een gat in onze biervoorraad hadden geslagen was dat we de volgende dag, vandaag dus, vermoed ik, verwachtten dat we slag moesten gaan leveren met het legioen van Caiius Plinius, de Romeinse legeraanvoerder die zich voornamelijk bezighield met strafexpedities tegen ons volk. Tja, die dappere Romeinen. Een hoop wapengekletter maar tegen ons, strijders der Picten, konden ze echt niet op!
Desondanks was het altijd handig om enigszins ongeremd de strijd in te gaan en daar wilde enige gegiste vloeistof nog wel eens bij helpen…
 
We hadden ons nog voor zonsopgang verzameld op de heuvel bij de heilige stenen. De druïde had nog enkele inscripties gemaakt om genade af te smeken bij onze Goden en….toen….
 
Ik word gestoord door het meisje. Ze komt weer bij, kijkt warrig voor zich uit.
“Hee, weer wakker???” begin ik weer, vriendelijker dit keer, ik wil haar niet weer schrik aanjagen.
Ze kijkt me weer aan, vertrekt haar gezicht in een grimas en rent hard gillend weg.
Pffff….vrouwen….vermoedelijk zie ik er wat verfomfaaid uit, moet haast wel, gezien het feit dat ik nergens gevoel meer in heb. Het begint heel zachtjes te motregenen.
Erg irritant, het water loopt in mijn ogen. Ik knipper een paar keer en doe uiteindelijk mijn ogen maar dicht. Rond mijn haren voel ik de grond vochtig worden. Het is wel lekker dat er ook wat in mijn baard komt, ik heb ontzettende dorst!
 
Goed. Waar was ik?
O ja….de druïde dus, hij had ons allen beschilderd met de zwartblauwe krijgsverf. De moordlust stroomde door onze aderen, we zouden die Romeinen stuk voor stuk wel even de hersens splijten!
 
Mijn lange zwaard was vlijmscherp! Ik had er gisteren de hele dag op zitten poetsen en het geslepen tot het bijna niet scherper kon. De snijvlakken waren in staat dwars door boomstammen  te slaan alsof het verse broden waren.
Onze aanvoerder spoorde ons aan en we renden naar de plek waar onze legers elkaar zouden treffen en toen….
 
Ik hoor weer stemmen. Ik kijk door mijn wimpers, het gaat nog net zonder teveel last te krijgen van het water dat nu rond mijn hoofd ook steeds hoger komt, er klotst af en toe een straaltje mijn oor in, brrrrr.
 
Door het bos komen het meisje van daarnet en de druïde aanlopen, beiden duidelijk opgewonden.
Ze wijst en blijft stilstaan. De druïde lijkt te schrikken en komt dichterbij.
“Wel wel Brage, wat is er met jou gebeurd? “ vraagt hij.
“Misschien kunt u me dat vertellen, meester, ik weet alleen dat ik geen gevoel meer in mijn benen heb”. “Weet je het echt niet? “ vraagt hij, enigszins verontrust. “Kun je naar links kijken?”
 
Ja, natuurlijk, dat lukt wel. Ik kijk naar links en ineens…..
Weet ik het!
 
Ik rende achter mijn kameraden aan, een beetje hinkend, zoals gewoonlijk, mijn oude wond speelt een beetje op bij vochtig weer, vrijwel altijd dus…
Ik raakte dus enigszins achterop en…struikelde. Mijn zwaard, dat ik net had getrokken, om het lemmet mooi te zien schitteren in het ochtendlicht, sloeg tegen een tak en veerde terug. Ik voelde een felle pijn aan de zijkant van mijn nek en toen….niets meer.
 
Maar nu weet ik het.
 
Links van mij ligt keurig mijn zwaard, vrijwel ongebruikt vandaag. Daarnaast een lichaam. Ik zie de sandalen, de riemen, de grofgeweven stoffen. En de handen, die herken ik uit duizenden. Links ontbreken 2 vingers, een dronkemansruzie uit de tijd dat ik nog een jongeling was. Rechts een groot litteken over de rug van de hand. Ja, dat lichaam, dat is van mij. Alleen…het hoofd ontbreekt.
 
Ik doe mijn ogen dicht en bid dan maar dat de druïde echt zo’n wonderdokter is als hij zegt dat hij is.
Ik hoor hem nog zeggen: “Goed zo….slaap….dat is beter….”


zaterdag 5 december 2015

DE SAGE VAN HET WITTE PAARD

DE SAGE VAN HET WITTE PAARD

Waar duist’re noorderwinden waaien
Op een ruige bergachtige top
Daar woonde eens een witte schimmel
Met de kolder in zijn kop

Niemand wist dat hij daar woonde
Men zag niets door de witte sneeuw
De enige die zich er aan stoorde
Was de koning zelf, de bergleeuw

Deze top is te klein voor 2 bewoners
Snoof hij, zijn adem vriezend in zijn baard
Een leeuw op een berg is vreselijk logisch
Maar niet zo’n potenbrekend paard

Dus Schimmel ga weg van hier!
Om nimmer meer om te keren
Mijn tanden zullen op je wachten
Mocht je het ooit eens proberen

De schimmel, heel bedroefd, knikte en ging
En langzaam daalde hij af naar het dal
Waar de mensen hem bespotten
Een wit paard, ja heus, een raar geval


Dreigend schimpten en scholden ze hem uit
Zelfs in de weiden voelde hij geen thuis
“Och, vond ik maar een nieuwe hoogte”
Om mij te herinneren aan mijn huis

Lopend door de grijze natte steden
Liep een heilig man in pak
Welhaast strompelend, deur tot deur,
Daarbij torsend een grote zak

Zijn oude voeten konden hem nauw’lijks dragen
Slof-slof-sloffend over straat
“Is dat niet de kindervriend?” Riep iemand
Die daar ginds zo langzaam gaat?

“Ach welja, maar niemand kent hem”
Zei een ander, rap van tong
Het is de man waarvoor ik vroeger
De zoetste wijsjes die ik kende zong

Maar nu wil niemand hem meer kennen
Want hij haalt niet meer de schoen
Zie hem daar eens zwalkend stumperen
Zonder ergens iets in te doen


Sint voelde zich machteloos verdrietig
Nee, deze oude dag had hij niet verwacht
Slepend klonken zijn pijnlijke voeten
Door de koude winternacht

Maar ineens, wat gebeurde daar?
Wat kwam daar nu door de bocht?
Het was een hevig bedrukte schimmel
Die nog steeds de hoogte zocht

Sint zei: zeg eens Equus
Want op school leerde hij ooit Latijn
Zou jij niet bijgeval het toeval
Mijn arme voeten willen zijn?

Dan gaan we samen op de daken
En klimmen vlug van huis naar huis
Zodat ik weer kinderen blij mag maken
Bij ieder kind in zijn of haar thuis

Sindsdien rijden zij tezamen
Nacht na nacht, het ontij voorbij
En kunnen alle kinderen beamen

Sint die komt, voor jou en voor mij.

zaterdag 31 oktober 2015

BOODSCHAPPEN


Enigszins gepikeerd, 9 jaar. Een jongetje met lange gouden krullen, hij wil graag de folders van de diverse speelgoedwinkels gebruiken om zijn verlanglijstje te maken. Hij is al goed bezig, heeft al diverse plaatjes uitgeknipt en opgeplakt. De collage die hij laat zien zal het erg goed doen in zijn schoen, de eerste nacht, daar is hij van overtuigd.
Maar nu..."ik vind het stom, van mama mag ik niet meer in de folders knippen omdat ze ze nog wil inkijken, maar er staat alleen kinderspeelgoed in, dat is helemaal niet voor haar!"
Mijn hart bloedt een beetje. Hij is vermoedelijk, nu nog, de laatste in zijn klas met een vast geloof. Ik zie hem zitten, grote blauwe ogen, een blik waar vol vertrouwen mee opgekeken wordt naar op zijn minst de plaatsvervanger van een light-versie van onze lieve heer.
Maar het wordt tijd, de festiviteiten naderen en een droom moet aan gruzelementen. Dus ik neem hem mee in de auto, een halfslachtige smoes over boodschappen doen. Op de heenweg nemen we de diverse benodigdheden door, deels vanwege mijn altijd falende kortetermijn-geheugen, gelukkig al haperend vanaf mijn vroegste jeugd, zodat ik me weinig zorgen maak. Zwalkend door de supermarkt neem ik me wederom voor deze iets meer te frequenteren zodat ik wellicht ooit alle kleinaria, zowel eetbaar als bruikbaar, punctueel zal kunnen localiseren. En besef tegelijk dat dit onbegonnen werk is daar bedrijfsleiders van supermarkten nu eenmaal wezens zijn welke uit de chaos der vroegste tijden zijn ontstaan en derhalve altijd zullen streven naar het opnieuw creeren van genoemde chaos. Dus staat iedere drie maanden de jam op een andere plek, worden de poffertjes in verpakking verplaatst van de broodwaren naar de bakproducten en de koffiemelk van de afdeling koffie naar de afdeling houdbare zuivelwaren. Van die kleine ergernissen, dus.
Terug naar het gangpad waar zich ooit de ingevroren kervel bevond maar nu slechts vierkante blokken spinazie en peterselie in ijskoude poedervorm mij aanstaren. Nee...de kervel is er niet. "Jelmer, als we zo in de auto zitten wil ik je iets vertellen, maar je moet me beloven dat je het niet aan de kleinere kinderen op school zult doorvertellen!"
Spanning in zijn glimmende ogen, ineens treedt hij weer een stapje meer naar binnen in de wereld der grote mensen, en hij weet het. We gaan de kassa door en stappen de auto in.
"Weet je waar Sinterklaas zijn cadeautjes vandaan haalt?" "Ja, natuurlijk, uit de speelgoedwinkel"......verkeerde strategie. "Maar soms wordt hij geholpen door ouders". Vol overtuiging klinkt nu echter: "Niks hoor, dat kan niet, ik weet nog dat jullie een keer thuis waren terwijl er cadeautjes werden gebracht!" Na nog wat heen en weer gepraat is hij er van overtuigd dat Sinterklaas alles betaald met bijdragen van de ouders maar uiteindelijk speel ik de laatste troef uit: "Sinterklaas heeft echt bestaan maar is heel lang geleden al dood gegaan en sindsdien spelen andere mensen dat ze hem zijn." Weliswaar doe ik de historie hier enig geweld aan maar ik vind dit een stuk romantischer klinken dan het gedoe van Thor en zijn witte zesbenige paard Sleipnir die in vroege Christendom-tijden door de clerus werd ingewisseld voor een heilige met een schimmel. Ik lees nogmaals zijn ogen en zie nu berusting.
Ergens doet dit me echt pijn. Nadat Pumba al niet echt bleek, de knuffels niet konden praten en Karel de dijkkabouter ook geen levend wezen was doch een verzinsel van zijn vader is ook deze laatste loopgraaf der eerste tien jaar verlaten. Een klein jongetje is hij niet meer, niet qua lengte maar nu is hem ook dat laatste restje vroege jeugd ontnomen.
En ik denk bij mezelf: "waarom is het ons eigenlijk niet geoorloofd onze illusies te bewaren, worden we uiteindelijk teleurgesteld in veel van onze medemensen en als het tegenzit zelfs in een aantal mensen die dichtbij leken, waarom, kortom, mogen we die heerlijke grote ogen die niets naars zien en alleen oog hebben voor de goedheid in mensen, niet houden en daarmee de aarde tot een paradijs maken.
Naast mij zit een grote jongen van 9, niet langer gepikeerd, maar begrijpend. Hij heeft de boodschap begrepen. Nog 1 jaartje meespelen dan deelt zijn kleine zusje in het begrip.
En ik? Ook ik zal niet meer in Sinterklaas geloven. En dat doet eigenlijk nog het meeste pijn.

zondag 23 augustus 2015

SURINAME DEEL 9 : AFSCHEID


Wederom de rivier. Een blinkend bruin-grijze watermassa die vlot stromend langs de witte oud-koloniale gebouwen op de kades trok. Niet geheel trouwens. Op de plek waar ik stond bevonden zich enkele grote loodsen en een paar hijskranen die jongetjes van 8 alleen in hun dromen zelf mogen bedienen.
Na 2 jaar gingen we, in 1975, terug naar Nederland. Dit had niets te maken met de onafhankelijkheid welke 3 maanden later zou plaatsvinden maar alles met de heimwee die zowel mijn moeder als ik hadden naar ons geboorteland. Het jaar ervoor was mijn oma nog langs geweest, met haar 75 jaar in die tijd een hoogbejaarde die daarvoor zelfs nooit uit Nederland was weggeweest, maar nu werd het dus tijd terug te gaan naar de familie.
Op de reis heen hadden we het vliegtuig genomen dus leek het mijn vader een mooie gelegenheid om terug met de boot te gaan. Die boot was de Ares, een klein vrachtschip varend voor de KNSM met faciliteiten voor een klein aantal passagiers.
Nu is het niet zo dat "klein vrachtschip" wil zeggen dat ik dat toen ook vond. In mijn beleving torende het schip honderden meters boven de kade uit, zoals het daar ongeladen lag. We hadden inmiddels een groot afscheidsfeest gehouden, de hond overgedragen aan de nieuwe baasjes en de auto verloot onder de werknemers van Bruynzeel en bivakkeerden de laatste dagen op het schip. Het was vakantie dus er hoefde verder niet zo veel.
Eigenlijk overtrof het avontuur van de boot mijn gevoelens van spijt over het loslaten van dit mooie land. Pas toen de boot daadwerkelijk losmaakte van de kant, de kade steeds verder weg leek te varen, keek ik nog een keer naar de stad die 2 jaar mijn thuis was geweest. Verder stroomopwaarts zag ik het rommelige terrein met daarvoor de houtvlotten uit de binnenlanden die eigendom waren van Bruynzeel. Dan verdere industrie en hallen waaronder die van de douane en de laad- en loskranen die aan "onze" kade hadden gestaan. Nog verder de markthallen en de pittoreske "Waterkant" van Paramaribo waarop het nu, 's ochtends vroeg, al vrij druk was met vooral rommelige wilde busjes en Japanse roestbakjes die door elkaar krioelden. Achter mij zag ik nog eenmaal het wrak van de Duitse boot liggen met erlangs wild stromend water. En aan de overkant het beginnend platteland.
We kwamen varend langs fort Zeelandia, het museum waar mooie kanonnen, een enge gevangenis en een hele grote zonnewijzer stonden. Erachter zag ik een glimp van (toen nog) het witte gouvernementspaleis, het grote hotel aan de waterkant en de Palmentuin, het stadspark waar ik een aantal keren gespeeld had.
Nu, 40 jaar later, besef ik dat ik vervolgens naar binnen moet zijn gegaan want na fort Zeelandia kan ik me niets meer herinneren, terwijl we nog langs de Riverclub voeren, het hotel waar we ooit enkele weken verbleven en langs de steeds wilder wordende natuur, de mangrovebossen en de stranden waar de schildpadden komen, naar de riviermonding toe. Maar wilde natuur is niet aan een jongetje van 8 besteed dus die tocht staat nog steeds op mijn verlanglijstje.
Het schip deed er een kleine 2 weken over om Nederland te bereiken, 2 weken waarin ik vriendschap voor het leven sloot met de 6-jarige dochter van de stuurman die ook meereisde (ik heb haar na het afscheid op de kade nooit meer gezien) en 2 weken die me altijd zullen bijblijven. Aan boord hadden we een klein zwembad vol zeewater. De eerste keer dat ik onder water zwom met mijn ogen open was meteen de laatste keer, het prikte verschrikkelijk. Het beste staat me nog bij dat ik op een dag, toen we de Azoren passeerden, op het voordek stond met mijn vader en er scholen vliegende vissen opdoken naast de boot.
In Nederland was het toen we aankwamen hoog zomer, ruim 34 graden, we hadden het gevoel dat we per ongeluk waren omgedraaid en terug gevaren. Alleen de palmbomen onbraken.
Mijn plek hier op school pikte ik snel op, leerde mezelf in zeer korte tijd plat Monnickendams spreken want in Paramaribo spraken we alleen Algemeen Beschaafd Nederlands en dat kan natuurlijk niet op een schoolplein en vervolgde mijn leven.
Deze herinneringen draag ik al 40 jaar mee. Misschien vind ik er nog wel meer als ik verder zou graven maar anderzijds: misschien vind ik in de toekomst wel nieuwe. Je weet maar nooit...