Vijfentwintig was ze. Reeds een aantal kinderen, ik wist
niet precies hoeveel. Hindoestaanse.
De dag dat we ons mooie rode huis aan de Gondastraat 43
betrokken stond ze bij het hek, samen met een aantal andere vrouwen. Zij was
echter de eerste en na een kort gesprek werd ze door mijn moeder aangenomen. Ze
kwam een aantal ochtenden per week het huis doen, dat was gebruikelijk bij de
Hollandse elite in Paramaribo. Soms als ik mazzel had was ze er nog als ik
thuis kwam uit school, rond 1 uur ’s middags.
Ik begon altijd vroeg, half acht werden we geacht in de
schoolbanken te zitten, maar was dus om half één vrij. Mijn school lag op zo’n
3 kilometer van ons huis, over een drukke weg, waardoor mijn ouders me niet
alleen lieten gaan. Misschien waren er wel scholen dichterbij, maar die waren
openbaar en dit was een zogenaamde particuliere school.
Ja, helaas was het klassenverschil in Suriname nog geheel
bonton in die laatste jaren van de kolonisatie. Het was moeilijk om contact te
krijgen met mensen uit andere lagen van de bevolking, kwamen mijn ouders al
vrij vlot achter. En dus was het contingent Hollanders noodgedwongen op elkaar
aangewezen, waar overigens heel fijne vriendschappen uit zijn voortgekomen.
Maar als Carla er dus nog was om 1 uur dan kreeg ik vaak
een glas cola van haar, voor een jongetje van 6 net zo aanlokkelijk als bier
voor een jongetje van 15. Hierop anticiperend trok ik wel eens de stoute
schoenen aan en bracht op mijn fietsje een bezoek aan haar huis, zo’n 2
kilometer verder, de Tweede Rijweg over en dan nog een eind tot ik links de
imposante moskee zag staan. Daartegenover woonde ze, overigens zonder iets met
genoemde moskee te maken te hebben, zoals gezegd: ze was hindoe en dus
afstammeling van de contractarbeiders welke begin 20e eeuw vanuit
India naar Suriname waren gehaald.
Het terrein rond haar huis bestond uit een groot
leefhuis, waar diverse kamers waren en diverse hangmatten hingen. Hieromheen
waren, op het erf, een aantal barakken gemaakt van verweerd hout. Hierin
bevonden zich veelal de keukentjes van de familieleden. Ik weet eigenlijk niet
uit hoeveel leden de familie bestond en wat de onderlinge verbanden waren. Ik
wist alleen dat haar man en haar broer er rondliepen en dat de meeste mannen
een snor hadden. O ja, en ze had een paar dochters die ik, toen al, mooie
meiden vond, iets ouder dan ik.
Verder huisde op het erf een geheimzinnige oude vrouw,
vond ik dan. Ze was altijd in het wit gekleed en rookte volgens mij soms pijp.
Maar dat kan ik er ook bij bedacht hebben om het aura van aangename
griezeligheid iets te vergroten. Achteraf besef ik dat wit voor hindoes de
kleur van de rouw is en dat dus haar man overleden geweest zal zijn. Maar in
mijn beleving was ze minstens 100 jaar oud en dook ze soms op op de meest
onverwachte plaatsen, altijd zwijgend observerend.
Ze was een hartelijk mens, gastvrij en netjes. Haar
keukentje zag er altijd mooi opgeruimd uit, zelfs als ze aan het koken was. En
koken, ja, dat kon ze wel!!! Ze is de eerste geweest die mij aan de “gele
pesie” heeft gekregen, een gerecht met erwten (peas) en kerrie uiteraard,
vandaar de gele kleur.
Ook haar kip massala heb ik sindsdien nooit meer zo
lekker gegeten. Alleen het feit, wat ik achteraf hoorde, dat mijn ouders de kip
persoonlijk mochten uitzoeken, deed me een beetje huiveren.
Anderzijds, deze kip had gezond en wel op het erf gelopen
en had dus in haar kortstondig leven een stuk meer van de wereld gezien dan de
meeste armzalige Nederlandse scharrelkippen.
Ook kwam ik door toedoen van Carla voor het eerst in
contact met andere religieuze gebruiken, het diwali feest waarbij de kinderen
tussen de lichtjes door mochten lopen en het holy phagwa waarbij we elkaar
heerlijk vol verfwater mochten spuiten en dus eindelijk eens zo smerig mogelijk
mochten worden, de douche was geduldig, zij het niet warm…De verdere context
van genoemde feesten ontging me op dat moment een beetje, ja, diwali had iets
te maken met het verjagen van boze geesten, maar ik kon me op dat moment niet
herinneren daar ooit last van te hebben gehad.
Carla. Zij was absoluut een belangrijk deel van mijn
verblijf in Suriname. Nu, 40 jaar later, een deel dat, getekend door de tijd,
misschien wat koloniaal overkomt. Anderzijds…zijn wij Nederlanders en wij
West-Europeanen eigenlijk wel zoveel veranderd in die 40 jaar?
Nog steeds menen wij de beste manier van leven te hebben
gevonden. Deze gedachte baseren we op onze welvaart. En wij willen, soms desnoods
door gebruik van lichte of zwaardere dwang, dat iedereen de verworvenheden van
ons overneemt, wereldwijd.
Dat we hiermee soms geheel voorbij gaan aan andere
culturen en andere normen die de rest van de wereld hanteert zien we dan niet.
Onze “vrijheid” moet geëxporteerd worden, anders kan een ander niet gelukkig
zijn. Dat onze vrijheid zeer
betrekkelijk is en meestentijds slechts wordt uitgedrukt in geld is iets wat
wij allang uit het oog zijn verloren.
Ik vraag me dus oprecht af of ontwikkelingshulp in de
letterlijke zin van het woord niet meer iets is dat wijzelf hard nodig hebben
dan de mensen die wij denken met ons geld te moeten helpen…
Suriname. Niet eens mijn vaderland. Twee armzalige jaren.
Maar goed voor een heel mensenleven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten