zondag 23 augustus 2015
SURINAME DEEL 9 : AFSCHEID
Wederom de rivier. Een blinkend bruin-grijze watermassa die vlot stromend langs de witte oud-koloniale gebouwen op de kades trok. Niet geheel trouwens. Op de plek waar ik stond bevonden zich enkele grote loodsen en een paar hijskranen die jongetjes van 8 alleen in hun dromen zelf mogen bedienen.
Na 2 jaar gingen we, in 1975, terug naar Nederland. Dit had niets te maken met de onafhankelijkheid welke 3 maanden later zou plaatsvinden maar alles met de heimwee die zowel mijn moeder als ik hadden naar ons geboorteland. Het jaar ervoor was mijn oma nog langs geweest, met haar 75 jaar in die tijd een hoogbejaarde die daarvoor zelfs nooit uit Nederland was weggeweest, maar nu werd het dus tijd terug te gaan naar de familie.
Op de reis heen hadden we het vliegtuig genomen dus leek het mijn vader een mooie gelegenheid om terug met de boot te gaan. Die boot was de Ares, een klein vrachtschip varend voor de KNSM met faciliteiten voor een klein aantal passagiers.
Nu is het niet zo dat "klein vrachtschip" wil zeggen dat ik dat toen ook vond. In mijn beleving torende het schip honderden meters boven de kade uit, zoals het daar ongeladen lag. We hadden inmiddels een groot afscheidsfeest gehouden, de hond overgedragen aan de nieuwe baasjes en de auto verloot onder de werknemers van Bruynzeel en bivakkeerden de laatste dagen op het schip. Het was vakantie dus er hoefde verder niet zo veel.
Eigenlijk overtrof het avontuur van de boot mijn gevoelens van spijt over het loslaten van dit mooie land. Pas toen de boot daadwerkelijk losmaakte van de kant, de kade steeds verder weg leek te varen, keek ik nog een keer naar de stad die 2 jaar mijn thuis was geweest. Verder stroomopwaarts zag ik het rommelige terrein met daarvoor de houtvlotten uit de binnenlanden die eigendom waren van Bruynzeel. Dan verdere industrie en hallen waaronder die van de douane en de laad- en loskranen die aan "onze" kade hadden gestaan. Nog verder de markthallen en de pittoreske "Waterkant" van Paramaribo waarop het nu, 's ochtends vroeg, al vrij druk was met vooral rommelige wilde busjes en Japanse roestbakjes die door elkaar krioelden. Achter mij zag ik nog eenmaal het wrak van de Duitse boot liggen met erlangs wild stromend water. En aan de overkant het beginnend platteland.
We kwamen varend langs fort Zeelandia, het museum waar mooie kanonnen, een enge gevangenis en een hele grote zonnewijzer stonden. Erachter zag ik een glimp van (toen nog) het witte gouvernementspaleis, het grote hotel aan de waterkant en de Palmentuin, het stadspark waar ik een aantal keren gespeeld had.
Nu, 40 jaar later, besef ik dat ik vervolgens naar binnen moet zijn gegaan want na fort Zeelandia kan ik me niets meer herinneren, terwijl we nog langs de Riverclub voeren, het hotel waar we ooit enkele weken verbleven en langs de steeds wilder wordende natuur, de mangrovebossen en de stranden waar de schildpadden komen, naar de riviermonding toe. Maar wilde natuur is niet aan een jongetje van 8 besteed dus die tocht staat nog steeds op mijn verlanglijstje.
Het schip deed er een kleine 2 weken over om Nederland te bereiken, 2 weken waarin ik vriendschap voor het leven sloot met de 6-jarige dochter van de stuurman die ook meereisde (ik heb haar na het afscheid op de kade nooit meer gezien) en 2 weken die me altijd zullen bijblijven. Aan boord hadden we een klein zwembad vol zeewater. De eerste keer dat ik onder water zwom met mijn ogen open was meteen de laatste keer, het prikte verschrikkelijk. Het beste staat me nog bij dat ik op een dag, toen we de Azoren passeerden, op het voordek stond met mijn vader en er scholen vliegende vissen opdoken naast de boot.
In Nederland was het toen we aankwamen hoog zomer, ruim 34 graden, we hadden het gevoel dat we per ongeluk waren omgedraaid en terug gevaren. Alleen de palmbomen onbraken.
Mijn plek hier op school pikte ik snel op, leerde mezelf in zeer korte tijd plat Monnickendams spreken want in Paramaribo spraken we alleen Algemeen Beschaafd Nederlands en dat kan natuurlijk niet op een schoolplein en vervolgde mijn leven.
Deze herinneringen draag ik al 40 jaar mee. Misschien vind ik er nog wel meer als ik verder zou graven maar anderzijds: misschien vind ik in de toekomst wel nieuwe. Je weet maar nooit...
zondag 24 mei 2015
MIJN WATERLAND - MIJN VLAKKE LAND
EEN FIETSTOCHTJE
Zomaar een zondag, zomaar een fietstochtje. Enige jaren geleden was mijn fiets een soort houvast waar ik veel van af liet hangen. Als een volleerd jihadist probeerde ik met razend fanatisme iedere keer weer een paar seconden van mijn PR af te zweten, Mijn eerste beloning was een op en top nieuwe fiets, een Koga Miyata tourfiets, de eerste fiets ooit die me als gegoten zat. Mijn tweede beloning was een droomreis naar een ver eiland, een tocht die ik altijd zal meedragen. En dan was er uiteraard nog een droom-conditie, eentje die alweer 20 jaar achter me had gelegen maar die in de basis nog steeds aanwezig bleek.
Enfin...de fiets is er nog en het zonnetje werkte mee dus ik slingerde mijn been over het achterwiel en vertrok. De dijk beklimmend, de schittering van de Gouwzee tegemoet. De wind door mijn haren, de motorrijders bromden instemmend en mijn mede-weggebruikers waren allen mild gestemd, gezinnen met kinderen, rijdende haastklussen op smalle banden en zelfs mijn eigen banden zoemden tevreden in zachte kadans. Een fuut leerde haar kroost zwemmen en in de verte begaven ook de eerste waternimfen zich te water. Ligt het aan mij of zijn de kinderen van nu beter bestand tegen extreme temperatuurswisselingen? Of zijn de moeders (en tegenwoordig uiteraard ook vaders) minder bezorgd over alle microben die een koud lijf leken aan te trekken destijds?
Hoe dan ook, de wereld ontwaakte, mijn spieren rekten zich uit en deden waarvoor ze ooit geschapen waren: fietsen!
En: gedachten, eindeloos dwarrelend...
Soms, als het helder weer is, kan ik er niet onderuit: dan nestelt zich de Zuiderzeeballade in mijn hoofd. Ik zie dan de torentjes van Marken, Volendam, het Paard van Marken, de TV-toren van Hilversum en de onduidelijke bouwsels van Almere en zelfs Lelystad. En dan ontkom je er dus niet aan: "Aan den einder leit Emmeloord", ooit een Ijsselmeerhaventje op het eiland Schokland, nu een zielloze Vinex-wijk in de Noord-Oost-Polder.
Rechts van de dijk de met een flinke dosis fantasie eindeloze Waterlandse weilanden, hier en daar een laatste verdwaalde rietkraag van wat eens het trotse Goudriaankanaal had moeten worden, een aantal ganzen die, nog wel, aan de razzia's van de jagers zijn ontsnapt en de boerderijen, willekeurig neergeworpen door een reuzenhand.
Even uitwijkend voor een stel fietsende toeristen, te herkennen aan de rijwielen met rode bordjes voorop. Nee, ze nemen niet vaak gediplomeerd deel aan het verkeer maar compenseren dit met een mooie, hongerige nieuwsgierigheid naar onze streek en daarom houd ik van ze. Liever zie ik een slingerende Amerikaanse voor mij opduiken dan een bus vol luie bejaarden die richting de eeuwige Volendammer dijk koerst.
Voor de driesprong naar Marken ruik je het voorjaar in optima forma! In de winter is het patatkraampje namelijk niet open. Ervoor het geparkeerde blik van velen die niet zo gelukkig zijn hier dichtbij te wonen. Ik laat ze rechts en duik achter de dijk, op weg naar dat onduidelijke terrein dat ooit, in een verre toekomst, het huiselijk geluk moet gaan vormen van massa's "lekker-weg-in-eigen-land"-toeristen. Nu ligt er echter nog een moeras en camping Uitdam. Rommelig, maar de vlaggen klapperen altijd uitnodigend.
Dan Uitdam, ons kleine pareltje, als je een vliegje in je oog krijgt mis je het tijdens het wrijven, maar desondanks een dorpje waar een flink stuk scheepvaart- en visserij-geschiedenis ligt. Er doorheen rijdend vraag ik me altijd weer af waar nu die bakkerij heeft gestaan die destijds ook Zuiderwoude, Holysloot en de Poppendammer Gouw van hun dagelijks brood voorzag.
Rechtsaf richting Zuiderwoude. Een boerderij waar men ambachtelijk ijs verkoopt, glutenvrij! staat er ook nog bij.... In gedachten zie ik de boerendochter bibberend in de ijskelder van het huis met een netje in het ijs harken, zorgvuldig zorgend dat er geen gluut in achterblijft! Stel je toch voor dat de verwende Amsterdamse maagjes in aanraking komen met iets dergelijks...
De weidevogels trekken zich niet veel aan van het decor der hoge torens aan de Amstel. 's Avonds verlicht om vliegtuigen te missen, overdag slechts logge betonblokken. Grutto, scholekster, kievit en tureluur vechten om de aandacht, soms vol vederen majesteit poserend op een paaltje.
En heel soms, 1 a 2 keer per seizoen, verwaardigt de koningin der weide zich hoorbaar te maken en kun je, turend door de lucht, haar horen stijgen tot eenzame hoogte, jubelend, om zich daarna weer naar haar nest te storten, de leeuwerik, het mooiste geluid van de weilanden.
Het witte torentje van Holysloot schuift voorbij, het andere witte torentje van Waterland tegemoet, tot ik haar passeer. 1000 Jaar religie op een zandruggetje kijken op mij neer en ook hier ben je in een hoestbui doorheen. Gauw Gouw, de slootjes doen al jaren hun best om de veenweggetjes te bestijgen maar zijn daar al bijna 100 jaar niet in geslaagd. Kracht op de pedalen, eindpunt letterlijk in zicht, daar, naast het Spookhuis, hemelsbreed een kilometer ver.
Nog even een sprintje tegen de dijk op, de duistere stenen van het gemaal tegemoet, het sluisje over.
Het was een mooie rit, mijn hoofd was bepaald niet leeg maar zolang ik al rijdend deze beslommeringen zie en de conditie toch weer aangescherpt wordt ben ik een gelukkig mens.
Zomaar een zondag, zomaar een fietstochtje. Enige jaren geleden was mijn fiets een soort houvast waar ik veel van af liet hangen. Als een volleerd jihadist probeerde ik met razend fanatisme iedere keer weer een paar seconden van mijn PR af te zweten, Mijn eerste beloning was een op en top nieuwe fiets, een Koga Miyata tourfiets, de eerste fiets ooit die me als gegoten zat. Mijn tweede beloning was een droomreis naar een ver eiland, een tocht die ik altijd zal meedragen. En dan was er uiteraard nog een droom-conditie, eentje die alweer 20 jaar achter me had gelegen maar die in de basis nog steeds aanwezig bleek.
Enfin...de fiets is er nog en het zonnetje werkte mee dus ik slingerde mijn been over het achterwiel en vertrok. De dijk beklimmend, de schittering van de Gouwzee tegemoet. De wind door mijn haren, de motorrijders bromden instemmend en mijn mede-weggebruikers waren allen mild gestemd, gezinnen met kinderen, rijdende haastklussen op smalle banden en zelfs mijn eigen banden zoemden tevreden in zachte kadans. Een fuut leerde haar kroost zwemmen en in de verte begaven ook de eerste waternimfen zich te water. Ligt het aan mij of zijn de kinderen van nu beter bestand tegen extreme temperatuurswisselingen? Of zijn de moeders (en tegenwoordig uiteraard ook vaders) minder bezorgd over alle microben die een koud lijf leken aan te trekken destijds?
Hoe dan ook, de wereld ontwaakte, mijn spieren rekten zich uit en deden waarvoor ze ooit geschapen waren: fietsen!
En: gedachten, eindeloos dwarrelend...
Soms, als het helder weer is, kan ik er niet onderuit: dan nestelt zich de Zuiderzeeballade in mijn hoofd. Ik zie dan de torentjes van Marken, Volendam, het Paard van Marken, de TV-toren van Hilversum en de onduidelijke bouwsels van Almere en zelfs Lelystad. En dan ontkom je er dus niet aan: "Aan den einder leit Emmeloord", ooit een Ijsselmeerhaventje op het eiland Schokland, nu een zielloze Vinex-wijk in de Noord-Oost-Polder.
Rechts van de dijk de met een flinke dosis fantasie eindeloze Waterlandse weilanden, hier en daar een laatste verdwaalde rietkraag van wat eens het trotse Goudriaankanaal had moeten worden, een aantal ganzen die, nog wel, aan de razzia's van de jagers zijn ontsnapt en de boerderijen, willekeurig neergeworpen door een reuzenhand.
Even uitwijkend voor een stel fietsende toeristen, te herkennen aan de rijwielen met rode bordjes voorop. Nee, ze nemen niet vaak gediplomeerd deel aan het verkeer maar compenseren dit met een mooie, hongerige nieuwsgierigheid naar onze streek en daarom houd ik van ze. Liever zie ik een slingerende Amerikaanse voor mij opduiken dan een bus vol luie bejaarden die richting de eeuwige Volendammer dijk koerst.
Voor de driesprong naar Marken ruik je het voorjaar in optima forma! In de winter is het patatkraampje namelijk niet open. Ervoor het geparkeerde blik van velen die niet zo gelukkig zijn hier dichtbij te wonen. Ik laat ze rechts en duik achter de dijk, op weg naar dat onduidelijke terrein dat ooit, in een verre toekomst, het huiselijk geluk moet gaan vormen van massa's "lekker-weg-in-eigen-land"-toeristen. Nu ligt er echter nog een moeras en camping Uitdam. Rommelig, maar de vlaggen klapperen altijd uitnodigend.
Dan Uitdam, ons kleine pareltje, als je een vliegje in je oog krijgt mis je het tijdens het wrijven, maar desondanks een dorpje waar een flink stuk scheepvaart- en visserij-geschiedenis ligt. Er doorheen rijdend vraag ik me altijd weer af waar nu die bakkerij heeft gestaan die destijds ook Zuiderwoude, Holysloot en de Poppendammer Gouw van hun dagelijks brood voorzag.
Rechtsaf richting Zuiderwoude. Een boerderij waar men ambachtelijk ijs verkoopt, glutenvrij! staat er ook nog bij.... In gedachten zie ik de boerendochter bibberend in de ijskelder van het huis met een netje in het ijs harken, zorgvuldig zorgend dat er geen gluut in achterblijft! Stel je toch voor dat de verwende Amsterdamse maagjes in aanraking komen met iets dergelijks...
De weidevogels trekken zich niet veel aan van het decor der hoge torens aan de Amstel. 's Avonds verlicht om vliegtuigen te missen, overdag slechts logge betonblokken. Grutto, scholekster, kievit en tureluur vechten om de aandacht, soms vol vederen majesteit poserend op een paaltje.
En heel soms, 1 a 2 keer per seizoen, verwaardigt de koningin der weide zich hoorbaar te maken en kun je, turend door de lucht, haar horen stijgen tot eenzame hoogte, jubelend, om zich daarna weer naar haar nest te storten, de leeuwerik, het mooiste geluid van de weilanden.
Het witte torentje van Holysloot schuift voorbij, het andere witte torentje van Waterland tegemoet, tot ik haar passeer. 1000 Jaar religie op een zandruggetje kijken op mij neer en ook hier ben je in een hoestbui doorheen. Gauw Gouw, de slootjes doen al jaren hun best om de veenweggetjes te bestijgen maar zijn daar al bijna 100 jaar niet in geslaagd. Kracht op de pedalen, eindpunt letterlijk in zicht, daar, naast het Spookhuis, hemelsbreed een kilometer ver.
Nog even een sprintje tegen de dijk op, de duistere stenen van het gemaal tegemoet, het sluisje over.
Het was een mooie rit, mijn hoofd was bepaald niet leeg maar zolang ik al rijdend deze beslommeringen zie en de conditie toch weer aangescherpt wordt ben ik een gelukkig mens.
woensdag 31 december 2014
ZOMAAR EEN MEISJE
85 jaar. Ze wordt wakker van de wekker die ze nog altijd
zet. Zet haar bril op, doet haar kleren aan die ze de avond ervoor klaar had gehangen.
Een fijn gestreken nieuwe blouse, een stijlvolle rok met een plooi erin. Straks
gaat ze naar de kapper, even zichzelf helemaal op en top laten verzorgen.
Vanmiddag komt haar kleinzoon om haar af te halen, dan
neemt hij haar mee naar zijn mooie Vinex-woning waar ze vanavond weer net een
glaasje champagne teveel zal drinken en vervolgens vannacht licht giechelend
thuis wordt gebracht.
Ze kijkt om zich heen. Vanaf het belendende nachtkastje
kijkt haar man haar enigszins fronsend aan. Hij had altijd een hekel aan
poseren, reden waarom hij alleen op vakantie-foto’s sporadisch lachend werd
aangetroffen. Een fijne man. Hij was al vroeg in de handel gegaan, bij haar
vader in het bedrijf. Een groot liefhebber van zeilboten, ze hadden heel lang
een mooi jacht gehad. Van Zwitserse makelij, dat was een idee van haar vader,
natuurlijk.
Boven de schoorsteen hangt nog altijd het schilderij dat
haar leerlingen als afscheid hebben meegegeven toen ze met pensioen ging. Ze
had 42 jaar lang in het onderwijs gewerkt, eerst als kleuterjuffrouw maar
uiteindelijk was ze directrice geworden van een vrije school in Amsterdam-Zuid,
de buurt waar ze was opgegroeid en waar ze nu weer woont.
Op straat wordt ze nog steeds hartelijk begroet door de
paar oud-leerlingen die soms langskomen om hun ouders te bezoeken die er nog
wonen. De bakker op de hoek reserveert altijd wat gebak als hij weet dat ze
iets te vieren heeft. Zijn moeder was ooit haar beste vriendin. Helaas zit die
sinds enige tijd in een verpleeghuis, verstopt in de mistdwarrels van haar
eigen verleden. Ze is er nog een aantal keren geweest maar zag al gauw geen
spoor herkenning meer.
De foto’s naast het raam tonen haar kinderen, haar zoon
die 20 jaar geleden aan kanker overleed en haar dochter, die zal ze vanavond
ook weer zien. Ze woont sinds enkele jaren in Bern. Ze ziet haar nu een keer of 4
per jaar, al heel wat meer dan voorheen want in 1985 was ze samen met haar man,
die diplomaat is, naar Azië geëmigreerd.
Ze kijkt op haar horloge, 9 uur, over een half uurtje
moet ze weg. Ze maakt zich op en kijkt in de spiegel, een keurige oude dame,
tot in de puntjes verzorgd, maar altijd met een ondeugende lok die nét niet
voor haar ogen hangt. Haar priemende, licht spottende, ogen konden haar
leerlingen en haar kinderen alles laten bekennen wat hen op het hart lag, ze
hadden altijd het gevoel dat ze toch wel alles wist. Logisch, ze had een goed
geheugen, was zelf ook jong geweest en
had destijds alles uitgehaald waarvan ze wist dat het haar vader tot razernij
zou brengen.
Ze vraagt zich af of ze nog even langs het buurthuis zal
gaan, de oudjes zullen er wel weer zitten. Onder hen haar oude buurman die
stiekem altijd een oogje op haar gehad heeft. Zelfs nu nog kan hij haar tot
blozen brengen met zijn prettige attenties. Dan weer staat er een rode roos op haar
tafeltje of ze krijgt ineens op straat een ijsje van een ijsverkoper die
vertelt dat een oudere meneer met een groene shawl de afzender hiervan is.
Ze besluit het niet te doen, zoekt een kleurig, maar niet
te opzichtig, jasje uit de kast, kijkt of haar nieuwe schoenen erbij passen,
pakt haar paraplu en stapt de deur uit, deze zorgvuldig sluitend.
Als ze beneden de portiekdeur achter zich sluit en op
straat staat haalt ze diep adem.
Op weg naar de kapper, naar de rest van haar leven. Een
mooi, vol leven, moet ze toegeven.
85 jaar. Dat zou ze nu zijn…
Gelukkig is de wereld een stuk mooier geworden en worden
mensen niet meer vervolgd om religie of ras.
donderdag 12 juni 2014
SURINAME DEEL 8 : DE SCHOOL
Een kroontjespen, een vloei, een inktpotje en boekjes van Ot
en Sien.
Nee, lieve lezer, wij bevinden ons thans niet in het Dik
Trom-schooltje van Etersheim en ook niet in het Zuiderzeemuseum: twee plaatsen
die ons tonen hoe zo’n 100 jaar geleden onze opa’s en oma’s hun leerplicht
vervulden.
Neen, wij bevinden ons in een warm en vochtig klaslokaal,
meer een barakkencomplex, gebouwd van hout en gaas dat de naam basisschool
mocht dragen. Het stond in de wijk Uitvlugt, Paramaribo, in de jaren 70.
In eerste instantie werd ik vanuit de Riverclub, onze
tijdelijke verblijfplaats in afwachting van een toegewezen woning, dagelijks gebracht met
een “wild busje”, zo geheten omdat er geen haltes waren, je stak gewoon je hand
op teneinde mee te rijden, naar een openbare school in de buurt van de rivier.
Mijn ouders hadden echter al snel door dat ik me daar
dood verveelde en trokken mij spoorslags mee naar een particuliere school, de Glenn
Weisz School geheten.
Dit was een naar Surinaamse begrippen vooruitstrevende
particuliere school, daar er geen sprake was van een schooluniform. Als je maar
zorgde in enigszins nette kleren te verschijnen was het al prima. Dit vormde
voor haar leerlingen geen probleem.
Een andere regel echter die ik destijds al apart vond was
dat er perse Nederlands moest worden gesproken. Op straffe van verbanning naar
het lokaal van “de directrice” (mevrouw Weisz zelve) kon je je daar beter aan
houden, lijfstraffen waren toen zeker nog heel normaal in Suriname.
In eerste instantie werd ik toegelaten in de 1e
klas (voor de wat jongeren: groep 3) daar ik mijn kleuterjaren reeds had
volbracht op de Nuts-kleuterschool in Monnickendam onder auspiciën van juf Joke
Brinkkemper. Deze vooropleiding bleek voldoende om mij een plek halverwege de
klas te bezorgen, vrij anoniem, zonder veel extra aandacht van de juf.
Gelukkig maar, want de boekjes welke ter lezing werden
aangeboden, naast eerdergenoemde Ot en Sien ook nog een reeksje met
stichtelijke verhalen, genaamd "Onze Wereld", werden door mijn
klasgenootjes met veel moeite doorgeploegd, terwijl ik vast vooruit las, want
ik vond de verhaaltjes best mooi.
Na enkele weken kwam juf Brinkkemper op het lumineuze
idee om mij een kaart te sturen om te vragen hoe het met me ging. Mijn moeder
raadde me aan deze kaart voor te lezen aan de juf, hetgeen ik deed. In eerste
instantie enigszins ongeduldig, maar in tweede instantie toch wel ademloos
hoorde ze mijn vlekkeloze voordracht aan. Ze nam een koelbloedig besluit en
troonde me mee naar de directrice waar ik mijn kunstje mocht herhalen. Daar
mijn vader op mijn 4e het geduld had gehad me lezen en rekenen te
leren zag ik niet helemaal waarom men daar zo zenuwachtig over deed. Het
resultaat was echter dat ik de maandag erop naar de 2e klas mocht.
Bijna ging het nog mis: inmiddels verveelde ik me weer,
had alle boekjes uit en zat gedurende de les woordloze liedjes te zingen.
Helaas vormde ik daarbij de lettercombinatie kon-ta-en nog wat, hetgeen het
jongetje voor me deed uitroepen: “Juf, hij zei “kont”!!!!”
De juf, altijd alert op vroeg-sexuele uitspattingen,
ontstak in wanhopige woede en riep: “JIJ gaat naar de directrice!!!!”
Daar ging ik dan, het klaslokaal uit, de houten deur met
het gaas achter me dicht en de vlonder op. Deze laatste hield het schoolplein bijeen, daar dit werd
gespleten door een soms smalle en soms brede greppel, afhankelijk van het
jaargetijde. Intussen maakte vertwijfeling zich van mij
meester. Weliswaar was ik mij van geen kwaad bewust, maar de directrice was
geen dame om mee te spotten. Er was bekend dat ze een grote stok had, zo zwaar
dat een eersteklasser als ik deze niet eens kon dragen. Wellicht vloog ze er
soms rondjes mee om de school, stelde ik me zo voor. Hoe dan ook vreesde ik
beiden in de komende confrontatie.
Op dat moment besloot ik dat ik het heft zelf in handen
zou nemen. Met kloeke moed opende ik de begaaste deur aan haar zijde en stond
tussen kinderen die zeker drie keer zo groot waren als ik. Met hun grote ogen
keken ze naar me, terwijl ik een vloerplank zocht om stilletjes tussen te
verdwijnen. De directrice, die mij herkende, vroeg, enigszins onzeker of ze
aardig of streng moest overkomen: “Hallo, wat kom jij doen?”
Nu kon ik nog terug, zorgen dat ik zou opgroeien in alle
eerlijkheid en reinheid en zonder vrees of blaam enzovoorts….
In plaats daarvan hakkelde ik: “Ehmmm….ik moest van de
juf zeggen dat ik goed mijn best doe!” Ze schonk mij een mooie glimlach voor
zover bezitsters van dodelijke stokken deze konden hebben en antwoordde: “Dat
is mooi! Ik zei al: maandag mag je naar de 2e klas!”
Achteraf bezien heb ik geluk gehad dat de samenleving in
Suriname zeer hiërarchisch was (en soms zelfs nog is) ingedeeld. Bovenaan
stonden de moeders, die werden en worden door iedereen met egards behandeld. Daaronder
kwamen de bazen, de onderbazen, de knechten en zo nog wat bevolkingsgroepen en
tenslotte de kinderen en echtgenoten. Laatstgenoemden hadden vaak wel het
idee dat ze iets te zeggen hadden maar dat was allemaal onderdeel van het
grote spel dat de moeders al eeuwen hadden uitgezet. Enfin….mevrouw Weisz was
een über-moeder van 150 kinderen en duldde dus van niemand tegenspraak,
waardoor haar ondergeschikten praktischerwijs liever niet met haar spraken. Mijn promotie was daarmee bezegeld...
Uiteindelijk heb ik drie klassen doorlopen op deze
school. Ik noemde al even de greppel die soms groeistuipen had. Dit had alles
te maken met regenbuitjes.
Die bestaan namelijk niet in Suriname. Regelmatig gebeurde
het me dat ik op mijn fietsje door de wijk tufte en in de verte meende een
radio aan te horen staan. Veel ruis. Daarna…heel veel ruis! En vervolgens wist
ik: Ooooowwwwkkeeeeeeejj….ik heb nu nog ongeveer 45 seconden om een goed
heenkomen te zoeken…..Soms haalde ik dat en zag dan tot mijn geluk de
gordijnen van water van onder ons huis voorbij trekken. Met donderend geraas
openden de wolken zich dan als ware het een Niagara van motregen. Ik heb nooit
vissen voorbij zien zwemmen in een dergelijke bui maar zou me kunnen
voorstellen dat die ook verticaal in de war konden raken bij het zien van al
dat watergeweld.
Hoe dan ook: als iets dergelijks zich ’s nachts of ’s
morgens vroeg afspeelde lag ik mij in bed reeds te verkneukelen. De kans was
dan namelijk aanwezig dat de afwateringsmogelijkheden van ons schoolplein
tekort schoten, waardoor ik een vrije dag had. Dit gebeurde gemiddeld 2 keer
per jaar, in Nederland is men dat studiedagen gaan noemen volgens mij.
Overigens ging men in die dagen niet meer zover dat er Nederlandsche
topografie en biologie werd gegeven. Bij aardrijkskunde kreeg ik keurig de 9
districten en hun hoofdsteden te leren en de grotere plaatsen en rivieren van
het flinke land (het is 4 keer zo groot als Nederland). Ze zitten tot op de dag
van vandaag ferm geworteld in mijn hoofd, samen met alle dieren die ik via “Kennis
Der Natuur” toegestopt kreeg.
De schooltijden bevielen me goed, half 8 tot half 1 en
daarna vrij. Het Tropenrooster leek geknipt voor deze school. Overigens durf ik
te beweren dat ik door het systematisch, deels klassikale stampwerk dat we te
doen kregen, heel wat meer tot mij nam dan mijn Nederlandse leeftijdgenoten. Of
het ook bijdroeg aan “het begrip” laat ik dan weer even aan pedagogen over.
Buitenschoolse contacten had ik eigenlijk niet met de
leerlingen. Daar het een (naar ik inmiddels weet) duurdere particuliere school
was ging een ieder zijns weegs en zagen we elkaar dus slechts rond de greppel.
Gelukkig had ik een aantal vrienden in de buurt wonen waar ik ook regelmatig
heen fietste. Dat wil zeggen: als het weer het toeliet…ook hier stond ik soms als een volleerd Indiana Jones met mijn fietsje op een boomstam te balanceren boven een greppel waar ik normaal door de bijna droge bedding reed maar die nu met het donderend geraas als vanuit de Grand Canyon voortstroomde.
Gelukkig duurden dit soort uitspattingen meestal maar een dag, daarna konden we elkaar weer opzoeken. Al met al kan ik stellen dat ook het educatieve element van Suriname dik in orde was. Ik kan het vele ouders en kinderen aanraden als land om, weg van al ons wester geraas, kennis te maken met het tropenleven op wat kleiner niveau. Mij is het in ieder geval met terugwerkende kracht erg goed bevallen...
vrijdag 3 januari 2014
Suriname deel 7: Carla
Vijfentwintig was ze. Reeds een aantal kinderen, ik wist
niet precies hoeveel. Hindoestaanse.
De dag dat we ons mooie rode huis aan de Gondastraat 43
betrokken stond ze bij het hek, samen met een aantal andere vrouwen. Zij was
echter de eerste en na een kort gesprek werd ze door mijn moeder aangenomen. Ze
kwam een aantal ochtenden per week het huis doen, dat was gebruikelijk bij de
Hollandse elite in Paramaribo. Soms als ik mazzel had was ze er nog als ik
thuis kwam uit school, rond 1 uur ’s middags.
Ik begon altijd vroeg, half acht werden we geacht in de
schoolbanken te zitten, maar was dus om half één vrij. Mijn school lag op zo’n
3 kilometer van ons huis, over een drukke weg, waardoor mijn ouders me niet
alleen lieten gaan. Misschien waren er wel scholen dichterbij, maar die waren
openbaar en dit was een zogenaamde particuliere school.
Ja, helaas was het klassenverschil in Suriname nog geheel
bonton in die laatste jaren van de kolonisatie. Het was moeilijk om contact te
krijgen met mensen uit andere lagen van de bevolking, kwamen mijn ouders al
vrij vlot achter. En dus was het contingent Hollanders noodgedwongen op elkaar
aangewezen, waar overigens heel fijne vriendschappen uit zijn voortgekomen.
Maar als Carla er dus nog was om 1 uur dan kreeg ik vaak
een glas cola van haar, voor een jongetje van 6 net zo aanlokkelijk als bier
voor een jongetje van 15. Hierop anticiperend trok ik wel eens de stoute
schoenen aan en bracht op mijn fietsje een bezoek aan haar huis, zo’n 2
kilometer verder, de Tweede Rijweg over en dan nog een eind tot ik links de
imposante moskee zag staan. Daartegenover woonde ze, overigens zonder iets met
genoemde moskee te maken te hebben, zoals gezegd: ze was hindoe en dus
afstammeling van de contractarbeiders welke begin 20e eeuw vanuit
India naar Suriname waren gehaald.
Het terrein rond haar huis bestond uit een groot
leefhuis, waar diverse kamers waren en diverse hangmatten hingen. Hieromheen
waren, op het erf, een aantal barakken gemaakt van verweerd hout. Hierin
bevonden zich veelal de keukentjes van de familieleden. Ik weet eigenlijk niet
uit hoeveel leden de familie bestond en wat de onderlinge verbanden waren. Ik
wist alleen dat haar man en haar broer er rondliepen en dat de meeste mannen
een snor hadden. O ja, en ze had een paar dochters die ik, toen al, mooie
meiden vond, iets ouder dan ik.
Verder huisde op het erf een geheimzinnige oude vrouw,
vond ik dan. Ze was altijd in het wit gekleed en rookte volgens mij soms pijp.
Maar dat kan ik er ook bij bedacht hebben om het aura van aangename
griezeligheid iets te vergroten. Achteraf besef ik dat wit voor hindoes de
kleur van de rouw is en dat dus haar man overleden geweest zal zijn. Maar in
mijn beleving was ze minstens 100 jaar oud en dook ze soms op op de meest
onverwachte plaatsen, altijd zwijgend observerend.
Ze was een hartelijk mens, gastvrij en netjes. Haar
keukentje zag er altijd mooi opgeruimd uit, zelfs als ze aan het koken was. En
koken, ja, dat kon ze wel!!! Ze is de eerste geweest die mij aan de “gele
pesie” heeft gekregen, een gerecht met erwten (peas) en kerrie uiteraard,
vandaar de gele kleur.
Ook haar kip massala heb ik sindsdien nooit meer zo
lekker gegeten. Alleen het feit, wat ik achteraf hoorde, dat mijn ouders de kip
persoonlijk mochten uitzoeken, deed me een beetje huiveren.
Anderzijds, deze kip had gezond en wel op het erf gelopen
en had dus in haar kortstondig leven een stuk meer van de wereld gezien dan de
meeste armzalige Nederlandse scharrelkippen.
Ook kwam ik door toedoen van Carla voor het eerst in
contact met andere religieuze gebruiken, het diwali feest waarbij de kinderen
tussen de lichtjes door mochten lopen en het holy phagwa waarbij we elkaar
heerlijk vol verfwater mochten spuiten en dus eindelijk eens zo smerig mogelijk
mochten worden, de douche was geduldig, zij het niet warm…De verdere context
van genoemde feesten ontging me op dat moment een beetje, ja, diwali had iets
te maken met het verjagen van boze geesten, maar ik kon me op dat moment niet
herinneren daar ooit last van te hebben gehad.
Carla. Zij was absoluut een belangrijk deel van mijn
verblijf in Suriname. Nu, 40 jaar later, een deel dat, getekend door de tijd,
misschien wat koloniaal overkomt. Anderzijds…zijn wij Nederlanders en wij
West-Europeanen eigenlijk wel zoveel veranderd in die 40 jaar?
Nog steeds menen wij de beste manier van leven te hebben
gevonden. Deze gedachte baseren we op onze welvaart. En wij willen, soms desnoods
door gebruik van lichte of zwaardere dwang, dat iedereen de verworvenheden van
ons overneemt, wereldwijd.
Dat we hiermee soms geheel voorbij gaan aan andere
culturen en andere normen die de rest van de wereld hanteert zien we dan niet.
Onze “vrijheid” moet geëxporteerd worden, anders kan een ander niet gelukkig
zijn. Dat onze vrijheid zeer
betrekkelijk is en meestentijds slechts wordt uitgedrukt in geld is iets wat
wij allang uit het oog zijn verloren.
Ik vraag me dus oprecht af of ontwikkelingshulp in de
letterlijke zin van het woord niet meer iets is dat wijzelf hard nodig hebben
dan de mensen die wij denken met ons geld te moeten helpen…
Suriname. Niet eens mijn vaderland. Twee armzalige jaren.
Maar goed voor een heel mensenleven.
zondag 15 december 2013
KERST
Kerst…In deze tijd van het jaar komen er allemaal films
en verhalen tot ons met een boodschap van mededogen, generositeit en
liefdevolle ideeën voor iedereen op aarde. Ook stuur je elkaar wensen waarbij
eenieder elkaar probeert te overtroeven in de meest gevoelige wensen voor “deze
donkere dagen” en het heeeele volgende jaar. Mooi….
Op de radio zijn muzakjes te horen die blijven
benadrukken dat dit vooral een tijd van vreugde en anderzijds ook contemplatie
is. In de diverse keukens doet men zijn best om (alweer) elkaar af te troeven
in het zo smakelijk mogelijk bereiden van diverse dode dieren, liefst aan hun
einde gekomen door executie (eufemistisch “jacht”genoemd), dat is wel zo
“natuurlijk”. Dat dit gepaard gaat met vreselijke angst en dat dus het
mededogen met deze dieren hiermee op zijn zachtst niet geheel strookt met dat
voor mensen boeit in dit geval niet helemaal. Tja….
Natuurlijk zijn velen zeer oprecht in hun wensen, in hun
verlangens naar vrede en is zelfs een aantal mensen bereid enigszins te matigen
in hun verlangen naar vlees (jagers uitgezonderd, maar die zijn nu eenmaal niet
meer te verbeteren). Al met al is dus bijna iedereen van goede wil en valt
elkaar uiteindelijk met Oud en Nieuw snikkend in de armen, belovend dat alles
beter zal worden.
Ook ik doe hier volop aan mee en houd mezelf daar net als
iedereen schromelijk mee voor de gek.
Volgend jaar zien we ons namelijk genoodzaakt hetzelfde
te doen, omdat het weer niet gelukt is onze voornemens een jaar vol te houden.
Toch blijven we hopen, wellicht gaat het ons komend jaar
echt lukken. Ik wens u dit dus van harte toe!!!
zondag 13 oktober 2013
SURINAME DEEL 6: BROWNSBERG
Vochtige warmte was het wat ons omringde boven op de
Brownsberg. Omringd door honderden vierkante kilometers oerwoud van het
Amazone-gebied en een enorm stuwmeer waar ergens, in de verre diepte, nog de
kerken stonden van vele dorpen welke verzwolgen werden voor de behoefte aan
energie in deze diepe binnenlanden. Stilte.
Ver weg klonken de spookachtige koren der brulapen en
verder was de natuur nooit zo dichtbij geweest als hier en nu. Plotseling enig
geritsel achter ons. Er kwam een tweetal ons onbekende mensen die naar
hetzelfde betoverende uitzichtspunt waren geklommen. Ze groetten kort en gingen
achter ons staan, eveneens overweldigd door de schoonheid van het land. Tot één
van hen sprak: “Ja, zo’n uitzicht hebben we in Monnickendam niet….”
Kortom, het maakt niet uit of je ruim 7000 zeemijl en
zo’n 600 km oerwoud overbrugt….Waterlanders kom je echt overal tegen!
Onze tweede vakantie in Suriname was dus naar Brownsberg
gegaan, iets wat men tegenwoordig een “resort” zou noemen. Toen waren het
gewoon nog een paar huisjes, welke door Bruynzeel waren neergeplant voor hun
personeel. Je moest erheen rijden via dezelfde roodstoffige bauxiet-wegen welke
ons eerder naar Blakkawatra hadden gevoerd, alleen was dit nog een stuk verder.
Zo’n 100 jaar eerder (en trouwens ook 30 jaar later) was er rond Brownsberg een
levendige gemeenschap van goudzoekers en andere mijnwerkers welke het vlekje
“Brownsweg” (onderaan de berg) en zelfs een veel te duur spoorlijntje hadden
aangelegd. Om de berg lagen een flink aantal inlandse dorpen, normaal gesproken
goed verstopt tussen het dichte geboomte.
Begin jaren 60 was echter de regering begonnen met het
bouwen van de enorme dam bij “Brokopondo” (kapotte brug), waardoor de bewoners
van enige tientallen dorpen hun heil, al dan niet onder zachte doch dwingende
aandrang van enige overheidsdienaren, elders moesten zoeken. Er is enige jaren
terug een hele mooie documentaire over dit enigszins trieste verhaal gemaakt,
waarin oud-bewoners vertellen over de mooie plek die ze moesten verlaten.
Onze oude, groene, rood-bestofte, Fiat 850 sleurde zijn
last, 2 volwassenen, 2 kinderen en een hoop onbestemde rotzooi op het dak, de
berg op. Deze berg had overigens een maximale hoogte van 600 meter, maar hier
en daar angstwekkend steile hellingen en uiteraard onverharde wegen. Daar van
enige vangrail of wat dan ook geen sprake was, zat in de groene auto een groen
jongetje van 7, dat met erg veel hoogtevrees hoopte dat zijn vader zijn roer
recht zou houden.
Bovenaan gekomen zag de wereld er al een stuk zonniger
uit, temeer omdat de tientallen meters lange bomen niet boven de top uit
kwamen. Vanaf het plateau bij de huisjes was er een fantastisch uitzicht over
het enorme van Blommensteinmeer, zoals het Brokopondostuwmeer toen nog gedoopt
was, genoemd naar de ingenieur die als de kwade genius achter de waterplas werd
gezien. Duidelijk waren nog de vele resten van woudreuzen te zien welke weliswaar
de strijd met het water hadden verloren, maar desalniettemin zorgden voor een
spookachtig staketsel van gedenkmonumenten.
Ik vond het fascinerend, dat meer in de diepte, maar
mocht er niet op eigen gelegenheid heen, omdat de weg omlaag erg stijl was en
we nu dus wel in dat deel van de jungle zaten waar er tenminste een kans was
dat je oog in oog zou komen te staan met een jaguar of een anaconda. Bovendien
is een verdwaald jochie van 7 in de jungle niet iets waar iedere ouder op zit
te wachten, dus moest ik wachten tot we met zijn allen gingen.
Dat deden we dus de volgende dag, althans, toen liepen
we, deels bewegwijzerd, over paden in neerwaartse richting naar de Mazaronival.
Hoewel…paden….het waren veelal in de bush neergelegde boomstammen waar we overheen
glibberden, soms was er een kleine leuning, maar meestal ook niet. Mijn zusje
redde het niet helemaal en werd een flink deel van de tocht door mijn vader
gedragen, hetgeen hem de dagen erna forse spierpijn opleverde. Bij de val
aangekomen had ik eigenlijk zoiets verwacht als een razend gebulder en een muur
van water als van de Niagara-waterval. Het bleek echter meer een steil
rotswandje waar het vanaf stromende water net het niveau “sijpelen” was
ontstegen. Inmiddels waren we echter zodanig verhit geraakt dat enkelen zich
enige stappen in het kleine meertje waagden, niet te ver echter, want het water
was toch fors kouder dan de tropische buitenlucht.
Naar boven ging het weer, het was een fors stuk, maar de
spanning van het lopen door een écht oerwoud zorgde toch dat ik het vrij
moeiteloos volbracht. Her en der wees mijn vader me op diverse soorten tropisch
hardhout waar tegenwoordig houthandels fortuinen per kubieke meter voor zouden
neertellen. Gelukkig is een flink deel van het Surinaamse regenwoud inmiddels
beschermd natuurgebied, maar toen hoefde dat nog niet…
De volgende ochtend was ik vroeg op en ik besloot
andermaal naar het uitzichtpunt te rennen. Ik was inmiddels vertrouwd met de
gehele directe omgeving van het kleine vakantiepark, was zelfs, tegen het
bindend advies mijner ouders, al een eind richting het meer gelopen op mijn
omzwervingen, iets wat ik mijn moeder nimmer heb verteld (bij deze, mam). De
weg naar het punt ging voor een flink deel over een pad onder dicht geboomte,
waardoor je in het halfduister liep. Op een bepaald moment zag ik een tak op de
weg liggen en dacht nog eroverheen te stappen. Op het laatste moment zag ik de
tekening op de tak. Het was een polsdikke slang.
Ik heb niet afgewacht of deze levend dan wel dood was,
maar vestigde ongetwijfeld records waar het het doordringen van dichte jungles
op weg naar de bewoning betrof. Daar aangekomen leek het me wijs niet teveel te
vertellen, maar de dagen erna bleef ik een stuk dichter bij de huisjes dan
normaal.
Het is vreemd: ik heb in mijn hele leven tot op heden
slechts een dag of 4 a 5 doorgebracht op deze plek, in de jungle van Suriname.
Maar tot op de dag van vandaag is mij de fascinatie bijgebleven van het enorme
meer, de kale boomtoppen die erbovenuit staken en de haast intimiderende
schoonheid van de mij overweldigende natuur. Zoveel groen als ik daar heb
gezien ben ik sindsdien nooit meer tegengekomen en alleen al dit uitzicht zorgt
zelfs nu nog voor een voortdurend milde heimwee naar dat land dat ooit mijn
woonplaats was.
Abonneren op:
Posts (Atom)





