vrijdag 3 januari 2014

Suriname deel 7: Carla






Vijfentwintig was ze. Reeds een aantal kinderen, ik wist niet precies hoeveel. Hindoestaanse.

De dag dat we ons mooie rode huis aan de Gondastraat 43 betrokken stond ze bij het hek, samen met een aantal andere vrouwen. Zij was echter de eerste en na een kort gesprek werd ze door mijn moeder aangenomen. Ze kwam een aantal ochtenden per week het huis doen, dat was gebruikelijk bij de Hollandse elite in Paramaribo. Soms als ik mazzel had was ze er nog als ik thuis kwam uit school, rond 1 uur ’s middags.
Ik begon altijd vroeg, half acht werden we geacht in de schoolbanken te zitten, maar was dus om half één vrij. Mijn school lag op zo’n 3 kilometer van ons huis, over een drukke weg, waardoor mijn ouders me niet alleen lieten gaan. Misschien waren er wel scholen dichterbij, maar die waren openbaar en dit was een zogenaamde particuliere school.
Ja, helaas was het klassenverschil in Suriname nog geheel bonton in die laatste jaren van de kolonisatie. Het was moeilijk om contact te krijgen met mensen uit andere lagen van de bevolking, kwamen mijn ouders al vrij vlot achter. En dus was het contingent Hollanders noodgedwongen op elkaar aangewezen, waar overigens heel fijne vriendschappen uit zijn voortgekomen.

Maar als Carla er dus nog was om 1 uur dan kreeg ik vaak een glas cola van haar, voor een jongetje van 6 net zo aanlokkelijk als bier voor een jongetje van 15. Hierop anticiperend trok ik wel eens de stoute schoenen aan en bracht op mijn fietsje een bezoek aan haar huis, zo’n 2 kilometer verder, de Tweede Rijweg over en dan nog een eind tot ik links de imposante moskee zag staan. Daartegenover woonde ze, overigens zonder iets met genoemde moskee te maken te hebben, zoals gezegd: ze was hindoe en dus afstammeling van de contractarbeiders welke begin 20e eeuw vanuit India naar Suriname waren gehaald.
Het terrein rond haar huis bestond uit een groot leefhuis, waar diverse kamers waren en diverse hangmatten hingen. Hieromheen waren, op het erf, een aantal barakken gemaakt van verweerd hout. Hierin bevonden zich veelal de keukentjes van de familieleden. Ik weet eigenlijk niet uit hoeveel leden de familie bestond en wat de onderlinge verbanden waren. Ik wist alleen dat haar man en haar broer er rondliepen en dat de meeste mannen een snor hadden. O ja, en ze had een paar dochters die ik, toen al, mooie meiden vond, iets ouder dan ik.
Verder huisde op het erf een geheimzinnige oude vrouw, vond ik dan. Ze was altijd in het wit gekleed en rookte volgens mij soms pijp. Maar dat kan ik er ook bij bedacht hebben om het aura van aangename griezeligheid iets te vergroten. Achteraf besef ik dat wit voor hindoes de kleur van de rouw is en dat dus haar man overleden geweest zal zijn. Maar in mijn beleving was ze minstens 100 jaar oud en dook ze soms op op de meest onverwachte plaatsen, altijd zwijgend observerend.

Ze was een hartelijk mens, gastvrij en netjes. Haar keukentje zag er altijd mooi opgeruimd uit, zelfs als ze aan het koken was. En koken, ja, dat kon ze wel!!! Ze is de eerste geweest die mij aan de “gele pesie” heeft gekregen, een gerecht met erwten (peas) en kerrie uiteraard, vandaar de gele kleur.
Ook haar kip massala heb ik sindsdien nooit meer zo lekker gegeten. Alleen het feit, wat ik achteraf hoorde, dat mijn ouders de kip persoonlijk mochten uitzoeken, deed me een beetje huiveren.
Anderzijds, deze kip had gezond en wel op het erf gelopen en had dus in haar kortstondig leven een stuk meer van de wereld gezien dan de meeste armzalige Nederlandse scharrelkippen.

Ook kwam ik door toedoen van Carla voor het eerst in contact met andere religieuze gebruiken, het diwali feest waarbij de kinderen tussen de lichtjes door mochten lopen en het holy phagwa waarbij we elkaar heerlijk vol verfwater mochten spuiten en dus eindelijk eens zo smerig mogelijk mochten worden, de douche was geduldig, zij het niet warm…De verdere context van genoemde feesten ontging me op dat moment een beetje, ja, diwali had iets te maken met het verjagen van boze geesten, maar ik kon me op dat moment niet herinneren daar ooit last van te hebben gehad.

Carla. Zij was absoluut een belangrijk deel van mijn verblijf in Suriname. Nu, 40 jaar later, een deel dat, getekend door de tijd, misschien wat koloniaal overkomt. Anderzijds…zijn wij Nederlanders en wij West-Europeanen eigenlijk wel zoveel veranderd in die 40 jaar?

Nog steeds menen wij de beste manier van leven te hebben gevonden. Deze gedachte baseren we op onze welvaart. En wij willen, soms desnoods door gebruik van lichte of zwaardere dwang, dat iedereen de verworvenheden van ons overneemt, wereldwijd.
Dat we hiermee soms geheel voorbij gaan aan andere culturen en andere normen die de rest van de wereld hanteert zien we dan niet. Onze “vrijheid” moet geëxporteerd worden, anders kan een ander niet gelukkig zijn.  Dat onze vrijheid zeer betrekkelijk is en meestentijds slechts wordt uitgedrukt in geld is iets wat wij allang uit het oog zijn verloren.
Ik vraag me dus oprecht af of ontwikkelingshulp in de letterlijke zin van het woord niet meer iets is dat wijzelf hard nodig hebben dan de mensen die wij denken met ons geld te moeten helpen…

Suriname. Niet eens mijn vaderland. Twee armzalige jaren. Maar goed voor een heel mensenleven.

zondag 15 december 2013

KERST




Kerst…In deze tijd van het jaar komen er allemaal films en verhalen tot ons met een boodschap van mededogen, generositeit en liefdevolle ideeën voor iedereen op aarde. Ook stuur je elkaar wensen waarbij eenieder elkaar probeert te overtroeven in de meest gevoelige wensen voor “deze donkere dagen” en het heeeele volgende jaar. Mooi….

Op de radio zijn muzakjes te horen die blijven benadrukken dat dit vooral een tijd van vreugde en anderzijds ook contemplatie is. In de diverse keukens doet men zijn best om (alweer) elkaar af te troeven in het zo smakelijk mogelijk bereiden van diverse dode dieren, liefst aan hun einde gekomen door executie (eufemistisch “jacht”genoemd), dat is wel zo “natuurlijk”. Dat dit gepaard gaat met vreselijke angst en dat dus het mededogen met deze dieren hiermee op zijn zachtst niet geheel strookt met dat voor mensen boeit in dit geval niet helemaal. Tja….

Natuurlijk zijn velen zeer oprecht in hun wensen, in hun verlangens naar vrede en is zelfs een aantal mensen bereid enigszins te matigen in hun verlangen naar vlees (jagers uitgezonderd, maar die zijn nu eenmaal niet meer te verbeteren). Al met al is dus bijna iedereen van goede wil en valt elkaar uiteindelijk met Oud en Nieuw snikkend in de armen, belovend dat alles beter zal worden.

Ook ik doe hier volop aan mee en houd mezelf daar net als iedereen schromelijk mee voor de gek.
Volgend jaar zien we ons namelijk genoodzaakt hetzelfde te doen, omdat het weer niet gelukt is onze voornemens een jaar vol te houden.

Toch blijven we hopen, wellicht gaat het ons komend jaar echt lukken. Ik wens u dit dus van harte toe!!!

zondag 13 oktober 2013

SURINAME DEEL 6: BROWNSBERG



Vochtige warmte was het wat ons omringde boven op de Brownsberg. Omringd door honderden vierkante kilometers oerwoud van het Amazone-gebied en een enorm stuwmeer waar ergens, in de verre diepte, nog de kerken stonden van vele dorpen welke verzwolgen werden voor de behoefte aan energie in deze diepe binnenlanden. Stilte.
Ver weg klonken de spookachtige koren der brulapen en verder was de natuur nooit zo dichtbij geweest als hier en nu. Plotseling enig geritsel achter ons. Er kwam een tweetal ons onbekende mensen die naar hetzelfde betoverende uitzichtspunt waren geklommen. Ze groetten kort en gingen achter ons staan, eveneens overweldigd door de schoonheid van het land. Tot één van hen sprak: “Ja, zo’n uitzicht hebben we in Monnickendam niet….”

Kortom, het maakt niet uit of je ruim 7000 zeemijl en zo’n 600 km oerwoud overbrugt….Waterlanders kom je echt overal tegen!

Onze tweede vakantie in Suriname was dus naar Brownsberg gegaan, iets wat men tegenwoordig een “resort” zou noemen. Toen waren het gewoon nog een paar huisjes, welke door Bruynzeel waren neergeplant voor hun personeel. Je moest erheen rijden via dezelfde roodstoffige bauxiet-wegen welke ons eerder naar Blakkawatra hadden gevoerd, alleen was dit nog een stuk verder. Zo’n 100 jaar eerder (en trouwens ook 30 jaar later) was er rond Brownsberg een levendige gemeenschap van goudzoekers en andere mijnwerkers welke het vlekje “Brownsweg” (onderaan de berg) en zelfs een veel te duur spoorlijntje hadden aangelegd. Om de berg lagen een flink aantal inlandse dorpen, normaal gesproken goed verstopt tussen het dichte geboomte.
Begin jaren 60 was echter de regering begonnen met het bouwen van de enorme dam bij “Brokopondo” (kapotte brug), waardoor de bewoners van enige tientallen dorpen hun heil, al dan niet onder zachte doch dwingende aandrang van enige overheidsdienaren, elders moesten zoeken. Er is enige jaren terug een hele mooie documentaire over dit enigszins trieste verhaal gemaakt, waarin oud-bewoners vertellen over de mooie plek die ze moesten verlaten.

Onze oude, groene, rood-bestofte, Fiat 850 sleurde zijn last, 2 volwassenen, 2 kinderen en een hoop onbestemde rotzooi op het dak, de berg op. Deze berg had overigens een maximale hoogte van 600 meter, maar hier en daar angstwekkend steile hellingen en uiteraard onverharde wegen. Daar van enige vangrail of wat dan ook geen sprake was, zat in de groene auto een groen jongetje van 7, dat met erg veel hoogtevrees hoopte dat zijn vader zijn roer recht zou houden.
Bovenaan gekomen zag de wereld er al een stuk zonniger uit, temeer omdat de tientallen meters lange bomen niet boven de top uit kwamen. Vanaf het plateau bij de huisjes was er een fantastisch uitzicht over het enorme van Blommensteinmeer, zoals het Brokopondostuwmeer toen nog gedoopt was, genoemd naar de ingenieur die als de kwade genius achter de waterplas werd gezien. Duidelijk waren nog de vele resten van woudreuzen te zien welke weliswaar de strijd met het water hadden verloren, maar desalniettemin zorgden voor een spookachtig staketsel van gedenkmonumenten.
Ik vond het fascinerend, dat meer in de diepte, maar mocht er niet op eigen gelegenheid heen, omdat de weg omlaag erg stijl was en we nu dus wel in dat deel van de jungle zaten waar er tenminste een kans was dat je oog in oog zou komen te staan met een jaguar of een anaconda. Bovendien is een verdwaald jochie van 7 in de jungle niet iets waar iedere ouder op zit te wachten, dus moest ik wachten tot we met zijn allen gingen.

Dat deden we dus de volgende dag, althans, toen liepen we, deels bewegwijzerd, over paden in neerwaartse richting naar de Mazaronival. Hoewel…paden….het waren veelal in de bush neergelegde boomstammen waar we overheen glibberden, soms was er een kleine leuning, maar meestal ook niet. Mijn zusje redde het niet helemaal en werd een flink deel van de tocht door mijn vader gedragen, hetgeen hem de dagen erna forse spierpijn opleverde. Bij de val aangekomen had ik eigenlijk zoiets verwacht als een razend gebulder en een muur van water als van de Niagara-waterval. Het bleek echter meer een steil rotswandje waar het vanaf stromende water net het niveau “sijpelen” was ontstegen. Inmiddels waren we echter zodanig verhit geraakt dat enkelen zich enige stappen in het kleine meertje waagden, niet te ver echter, want het water was toch fors kouder dan de tropische buitenlucht.
Naar boven ging het weer, het was een fors stuk, maar de spanning van het lopen door een écht oerwoud zorgde toch dat ik het vrij moeiteloos volbracht. Her en der wees mijn vader me op diverse soorten tropisch hardhout waar tegenwoordig houthandels fortuinen per kubieke meter voor zouden neertellen. Gelukkig is een flink deel van het Surinaamse regenwoud inmiddels beschermd natuurgebied, maar toen hoefde dat nog niet…

De volgende ochtend was ik vroeg op en ik besloot andermaal naar het uitzichtpunt te rennen. Ik was inmiddels vertrouwd met de gehele directe omgeving van het kleine vakantiepark, was zelfs, tegen het bindend advies mijner ouders, al een eind richting het meer gelopen op mijn omzwervingen, iets wat ik mijn moeder nimmer heb verteld (bij deze, mam). De weg naar het punt ging voor een flink deel over een pad onder dicht geboomte, waardoor je in het halfduister liep. Op een bepaald moment zag ik een tak op de weg liggen en dacht nog eroverheen te stappen. Op het laatste moment zag ik de tekening op de tak. Het was een polsdikke slang.
Ik heb niet afgewacht of deze levend dan wel dood was, maar vestigde ongetwijfeld records waar het het doordringen van dichte jungles op weg naar de bewoning betrof. Daar aangekomen leek het me wijs niet teveel te vertellen, maar de dagen erna bleef ik een stuk dichter bij de huisjes dan normaal.

Het is vreemd: ik heb in mijn hele leven tot op heden slechts een dag of 4 a 5 doorgebracht op deze plek, in de jungle van Suriname. Maar tot op de dag van vandaag is mij de fascinatie bijgebleven van het enorme meer, de kale boomtoppen die erbovenuit staken en de haast intimiderende schoonheid van de mij overweldigende natuur. Zoveel groen als ik daar heb gezien ben ik sindsdien nooit meer tegengekomen en alleen al dit uitzicht zorgt zelfs nu nog voor een voortdurend milde heimwee naar dat land dat ooit mijn woonplaats was.

zaterdag 31 augustus 2013

SURINAME Deel 5: Uit Wandelen






De tijd dat mensen in vliegtuigen de wereld overgingen naar bestemmingen die 50 jaar eerder ternauwernood ontsloten waren voor de Westerse wereld lag in 1974 nog ver weg. Vakanties speelden zich in het beste geval af in Duitsland, Frankrijk en, nog enigszins aarzelend, de Spaanse Costa’s. Ook in Suriname ging men veelal binnenlands op vakantie. Maar daarom niet getreurd, want het was (en is) dan ook een extreem mooi land!

Als mijn vader iets langer vrij had dan een weekend werden vrouw en kinderen in de auto geladen, werd een afspraak met vrienden gemaakt om er eens uit te gaan en vertrokken wij, rijdend over de zandwegen, naar onbekende bestemmingen. Het eerste dat ik altijd weer zag als we gingen rijden was een soort van buideldiertje dat aan de electriciteitsdraad hing bij ons in de straat. Het beestje was, op onverklaarbare wijze, gestoord in zijn bewegingen en het hing  aan de staart, bevroren in de tijd, verdroogd en daardoor nog geheel compleet, ondersteboven aan een draad die 5 meter boven de grond zweefde. Wonderlijk en voor een kind zelfs fascinerend. Recht eronder vond ik eens een nest met jonge hondjes, waar ik er eentje uit meenam. Helaas is dit beestje slechts 3 maanden bij ons geweest.

Verder ging het, de wijk uit, de stad in, langs het Academisch Ziekenhuis, het grootste gebouw van de stad, majestueus staand aan het eind van een grote lange laan die naar het centrum leidde. Vlak voor het bereiken hiervan een standbeeld dat mij zeer intrigeerde. Het stelde een man voor, een hand op het hoofd, vastgebonden aan kettingen, een trotse gestalte die men toch gevangen had.
Er werd mij toen verteld dat het een gevluchte en weer gevangen slaaf was, neergezet om te herdenken dat op woensdag 1 juli 1863 de slavernij werd afgeschaft. Kwakoe heette deze man.
Later leerde ik dat Kwakoe niet zozeer een bestaand persoon was, maar meer symbool van deze afschaffing. “Kwakoe”betekent woensdag in de taal der Marrons, destijds gevluchte slaven die zich in de binnenlanden ophielden. Als kind vond ik het onbegrijpelijk dat lang geleden mensen blijkbaar zo slecht met elkaar omgingen.

Bij de Waterkant aangekomen sloegen we rechtsaf, via de Poelepantje-brug richting de stadjes die zuidelijk van Paramaribo lagen: Republiek en Parama. Bij eerstgenoemd stadje was een kreek waar een loopbrug op 4 meter over het water ging. Een heerlijke plek om vanaf te springen in het donkerbruine water onder ons.
Deze plaatsjes passerend gingen we terug richting de Suriname-rivier, de wegen waren inmiddels roodkleurig van het bauxietstof, onze groene auto trouwens ook. Het waren deels lange rechte wegen, aangelegd met name voor de mijnbouw in het binnenland. Soms zag je in de verte een grote rode wolk aankomen die bij nadering een vrachtwagen zo groot als een huis bleek te zijn.
Na een oneindige periode op de achterbank mochten we er uit. De auto moest een pontje oprijden over een zijtak van de Suriname rivier. Dat was nog geen sinecure, het pontje was wat hoger dan de oprit zodat de auto’s over balken erop en eraf moesten. Gelukkig hadden we een paar sterke mannen bij ons die de klus klaarden en zo gingen de Fiat 850, de VW Kever en de Renault 12 keurig de pont op en af.

Na de pont stopten we na korte tijd. Ik vroeg me af wat we hier moesten, er was niet veel te zien. Er was sprake van een open plek in het bos waar de fundamenten stonden van wat ooit een groot huis was geweest. Daarbij ook nog fundamenten van kleinere panden en een klein centrumpje met verdere informatie. Dit was “Joden-savanne”, een oude nederzetting die halverwege de 19e eeuw verlaten was. Het grote huis was de synagoge geweest en oude afbeeldingen ervan hingen in het centrumpje. Mij intrigeerde de plaats vanwege het feit dat het ooit afgebrand was (in 1832) en nooit meer opgebouwd en ook omdat ik altijd had gedacht dat op een savanne leeuwen rondliepen. Daktari had zijn uitwerking niet gemist…
Overigens weet ik inmiddels dat dit een uniek oord is, daar het de enige plek is op de Amerikaanse continenten waar in de 17e eeuw al een Joodse gemeenschap was met volledige vrijheid van godsdienst, met een eigen rechtspraak en zelfs een eigen kleine militaire macht. Dit alles dankzij de tolerantie van de Hollanders die, opportunisten als het altijd al geweest zijn, zagen dat deze mensen een zeer positieve invloed hadden op de economie van Suriname.
Maar goed, zoveel kennis bezat ik toen nog niet, dus verder op pad…

Na onze toch wel interessante tussenstop kwamen we op de eindbestemming, Blakkawatra en meer specifiek: het oude vakantiehuis van “Jopie Pengel”, de toen nog altijd flink populaire politicus en minister, die 4 jaar eerder overleden was. Het huis verkeerde nog in redelijke staat, rood met wit, alleen liepen er wat ratten rond en deed de generator het niet meer, waardoor het er ’s avonds vrij donker was. Vlak naast het huis bevond zich de Blakkawatra-kreek met daarin een kleine waterval. In mijn ogen was dit een waterval, maar eigenlijk was het niet meer dan een piepkleine stroomversnelling waar wij, kinderen, in gingen liggen.  Het water was pikzwart, vandaar de naam van de plek. Om ons heen dicht oerwoud met één weggetje erheen. Wat de oude Joop geïnspireerd had om hier zijn zomerhuis neer te zetten wisten we niet en we konden het hem ook niet vragen.

Voor jongetjes van 7 zijn watervallen zeer intrigerend, juist omdat er een zweem van gevaar dreigt. Stel je namelijk voor dat je door een waterval wordt meegesleurd, dan zul je door het kolkende water ondergedompeld worden en nooit meer bovenkomen. Vandaar dat ik, met mijn diploma B op zak, toch wel in paniek raakte toen ik liggend bovenaan de versnelling ineens werd meegesleurd en enkele meters verder weer tot stilstand kwam.
Het water was 30 cm diep, bleek nu pas. Vanaf dat moment hadden we een heerlijk wildwaterglijbaantje. CenterParcs zou dit nooit meer verbeteren, natte jungle om je heen, een boomstronk waar je vanaf kon springen en een heuse waterval waar je je zonder angst vanaf kon laten glijden. Jawel, weer een deel van mijn jeugd waar ik met liefde naar terugkijk.

De terugweg was saaier dan de heenweg, weer dezelfde rode wegen. Zelfs het pontje kon me nu niet meer bekoren en ook de jungle had een stuk van zijn groene glans verloren. Tja, de schoolbanken riepen weer, de kroontjespen, de Ot en Sien-boekjes, de inktpot, kortom: al die zaken die je in Nederland alleen nog in hele oude boeken las maakte ik in Paramaribo nog mee, inclusief een schoolhoofd dat lijfstraffen uitdeelde. Niet aan mij, maar dat is weer een ander verhaal…

Tot slot: U, als niet-Surinaamse lezer, zult zich wellicht afvragen wanneer er in dit verhaal nu een wandeling voorkwam. Deze stond immers in de titel vermeld. Welnu: het Surinaamse woord voor reizen/vakantie houden is dus wandelen.