zaterdag 5 december 2015

DE SAGE VAN HET WITTE PAARD

DE SAGE VAN HET WITTE PAARD

Waar duist’re noorderwinden waaien
Op een ruige bergachtige top
Daar woonde eens een witte schimmel
Met de kolder in zijn kop

Niemand wist dat hij daar woonde
Men zag niets door de witte sneeuw
De enige die zich er aan stoorde
Was de koning zelf, de bergleeuw

Deze top is te klein voor 2 bewoners
Snoof hij, zijn adem vriezend in zijn baard
Een leeuw op een berg is vreselijk logisch
Maar niet zo’n potenbrekend paard

Dus Schimmel ga weg van hier!
Om nimmer meer om te keren
Mijn tanden zullen op je wachten
Mocht je het ooit eens proberen

De schimmel, heel bedroefd, knikte en ging
En langzaam daalde hij af naar het dal
Waar de mensen hem bespotten
Een wit paard, ja heus, een raar geval


Dreigend schimpten en scholden ze hem uit
Zelfs in de weiden voelde hij geen thuis
“Och, vond ik maar een nieuwe hoogte”
Om mij te herinneren aan mijn huis

Lopend door de grijze natte steden
Liep een heilig man in pak
Welhaast strompelend, deur tot deur,
Daarbij torsend een grote zak

Zijn oude voeten konden hem nauw’lijks dragen
Slof-slof-sloffend over straat
“Is dat niet de kindervriend?” Riep iemand
Die daar ginds zo langzaam gaat?

“Ach welja, maar niemand kent hem”
Zei een ander, rap van tong
Het is de man waarvoor ik vroeger
De zoetste wijsjes die ik kende zong

Maar nu wil niemand hem meer kennen
Want hij haalt niet meer de schoen
Zie hem daar eens zwalkend stumperen
Zonder ergens iets in te doen


Sint voelde zich machteloos verdrietig
Nee, deze oude dag had hij niet verwacht
Slepend klonken zijn pijnlijke voeten
Door de koude winternacht

Maar ineens, wat gebeurde daar?
Wat kwam daar nu door de bocht?
Het was een hevig bedrukte schimmel
Die nog steeds de hoogte zocht

Sint zei: zeg eens Equus
Want op school leerde hij ooit Latijn
Zou jij niet bijgeval het toeval
Mijn arme voeten willen zijn?

Dan gaan we samen op de daken
En klimmen vlug van huis naar huis
Zodat ik weer kinderen blij mag maken
Bij ieder kind in zijn of haar thuis

Sindsdien rijden zij tezamen
Nacht na nacht, het ontij voorbij
En kunnen alle kinderen beamen

Sint die komt, voor jou en voor mij.

zaterdag 31 oktober 2015

BOODSCHAPPEN


Enigszins gepikeerd, 9 jaar. Een jongetje met lange gouden krullen, hij wil graag de folders van de diverse speelgoedwinkels gebruiken om zijn verlanglijstje te maken. Hij is al goed bezig, heeft al diverse plaatjes uitgeknipt en opgeplakt. De collage die hij laat zien zal het erg goed doen in zijn schoen, de eerste nacht, daar is hij van overtuigd.
Maar nu..."ik vind het stom, van mama mag ik niet meer in de folders knippen omdat ze ze nog wil inkijken, maar er staat alleen kinderspeelgoed in, dat is helemaal niet voor haar!"
Mijn hart bloedt een beetje. Hij is vermoedelijk, nu nog, de laatste in zijn klas met een vast geloof. Ik zie hem zitten, grote blauwe ogen, een blik waar vol vertrouwen mee opgekeken wordt naar op zijn minst de plaatsvervanger van een light-versie van onze lieve heer.
Maar het wordt tijd, de festiviteiten naderen en een droom moet aan gruzelementen. Dus ik neem hem mee in de auto, een halfslachtige smoes over boodschappen doen. Op de heenweg nemen we de diverse benodigdheden door, deels vanwege mijn altijd falende kortetermijn-geheugen, gelukkig al haperend vanaf mijn vroegste jeugd, zodat ik me weinig zorgen maak. Zwalkend door de supermarkt neem ik me wederom voor deze iets meer te frequenteren zodat ik wellicht ooit alle kleinaria, zowel eetbaar als bruikbaar, punctueel zal kunnen localiseren. En besef tegelijk dat dit onbegonnen werk is daar bedrijfsleiders van supermarkten nu eenmaal wezens zijn welke uit de chaos der vroegste tijden zijn ontstaan en derhalve altijd zullen streven naar het opnieuw creeren van genoemde chaos. Dus staat iedere drie maanden de jam op een andere plek, worden de poffertjes in verpakking verplaatst van de broodwaren naar de bakproducten en de koffiemelk van de afdeling koffie naar de afdeling houdbare zuivelwaren. Van die kleine ergernissen, dus.
Terug naar het gangpad waar zich ooit de ingevroren kervel bevond maar nu slechts vierkante blokken spinazie en peterselie in ijskoude poedervorm mij aanstaren. Nee...de kervel is er niet. "Jelmer, als we zo in de auto zitten wil ik je iets vertellen, maar je moet me beloven dat je het niet aan de kleinere kinderen op school zult doorvertellen!"
Spanning in zijn glimmende ogen, ineens treedt hij weer een stapje meer naar binnen in de wereld der grote mensen, en hij weet het. We gaan de kassa door en stappen de auto in.
"Weet je waar Sinterklaas zijn cadeautjes vandaan haalt?" "Ja, natuurlijk, uit de speelgoedwinkel"......verkeerde strategie. "Maar soms wordt hij geholpen door ouders". Vol overtuiging klinkt nu echter: "Niks hoor, dat kan niet, ik weet nog dat jullie een keer thuis waren terwijl er cadeautjes werden gebracht!" Na nog wat heen en weer gepraat is hij er van overtuigd dat Sinterklaas alles betaald met bijdragen van de ouders maar uiteindelijk speel ik de laatste troef uit: "Sinterklaas heeft echt bestaan maar is heel lang geleden al dood gegaan en sindsdien spelen andere mensen dat ze hem zijn." Weliswaar doe ik de historie hier enig geweld aan maar ik vind dit een stuk romantischer klinken dan het gedoe van Thor en zijn witte zesbenige paard Sleipnir die in vroege Christendom-tijden door de clerus werd ingewisseld voor een heilige met een schimmel. Ik lees nogmaals zijn ogen en zie nu berusting.
Ergens doet dit me echt pijn. Nadat Pumba al niet echt bleek, de knuffels niet konden praten en Karel de dijkkabouter ook geen levend wezen was doch een verzinsel van zijn vader is ook deze laatste loopgraaf der eerste tien jaar verlaten. Een klein jongetje is hij niet meer, niet qua lengte maar nu is hem ook dat laatste restje vroege jeugd ontnomen.
En ik denk bij mezelf: "waarom is het ons eigenlijk niet geoorloofd onze illusies te bewaren, worden we uiteindelijk teleurgesteld in veel van onze medemensen en als het tegenzit zelfs in een aantal mensen die dichtbij leken, waarom, kortom, mogen we die heerlijke grote ogen die niets naars zien en alleen oog hebben voor de goedheid in mensen, niet houden en daarmee de aarde tot een paradijs maken.
Naast mij zit een grote jongen van 9, niet langer gepikeerd, maar begrijpend. Hij heeft de boodschap begrepen. Nog 1 jaartje meespelen dan deelt zijn kleine zusje in het begrip.
En ik? Ook ik zal niet meer in Sinterklaas geloven. En dat doet eigenlijk nog het meeste pijn.

zondag 23 augustus 2015

SURINAME DEEL 9 : AFSCHEID


Wederom de rivier. Een blinkend bruin-grijze watermassa die vlot stromend langs de witte oud-koloniale gebouwen op de kades trok. Niet geheel trouwens. Op de plek waar ik stond bevonden zich enkele grote loodsen en een paar hijskranen die jongetjes van 8 alleen in hun dromen zelf mogen bedienen.
Na 2 jaar gingen we, in 1975, terug naar Nederland. Dit had niets te maken met de onafhankelijkheid welke 3 maanden later zou plaatsvinden maar alles met de heimwee die zowel mijn moeder als ik hadden naar ons geboorteland. Het jaar ervoor was mijn oma nog langs geweest, met haar 75 jaar in die tijd een hoogbejaarde die daarvoor zelfs nooit uit Nederland was weggeweest, maar nu werd het dus tijd terug te gaan naar de familie.
Op de reis heen hadden we het vliegtuig genomen dus leek het mijn vader een mooie gelegenheid om terug met de boot te gaan. Die boot was de Ares, een klein vrachtschip varend voor de KNSM met faciliteiten voor een klein aantal passagiers.
Nu is het niet zo dat "klein vrachtschip" wil zeggen dat ik dat toen ook vond. In mijn beleving torende het schip honderden meters boven de kade uit, zoals het daar ongeladen lag. We hadden inmiddels een groot afscheidsfeest gehouden, de hond overgedragen aan de nieuwe baasjes en de auto verloot onder de werknemers van Bruynzeel en bivakkeerden de laatste dagen op het schip. Het was vakantie dus er hoefde verder niet zo veel.
Eigenlijk overtrof het avontuur van de boot mijn gevoelens van spijt over het loslaten van dit mooie land. Pas toen de boot daadwerkelijk losmaakte van de kant, de kade steeds verder weg leek te varen, keek ik nog een keer naar de stad die 2 jaar mijn thuis was geweest. Verder stroomopwaarts zag ik het rommelige terrein met daarvoor de houtvlotten uit de binnenlanden die eigendom waren van Bruynzeel. Dan verdere industrie en hallen waaronder die van de douane en de laad- en loskranen die aan "onze" kade hadden gestaan. Nog verder de markthallen en de pittoreske "Waterkant" van Paramaribo waarop het nu, 's ochtends vroeg, al vrij druk was met vooral rommelige wilde busjes en Japanse roestbakjes die door elkaar krioelden. Achter mij zag ik nog eenmaal het wrak van de Duitse boot liggen met erlangs wild stromend water. En aan de overkant het beginnend platteland.
We kwamen varend langs fort Zeelandia, het museum waar mooie kanonnen, een enge gevangenis en een hele grote zonnewijzer stonden. Erachter zag ik een glimp van (toen nog) het witte gouvernementspaleis, het grote hotel aan de waterkant en de Palmentuin, het stadspark waar ik een aantal keren gespeeld had.
Nu, 40 jaar later, besef ik dat ik vervolgens naar binnen moet zijn gegaan want na fort Zeelandia kan ik me niets meer herinneren, terwijl we nog langs de Riverclub voeren, het hotel waar we ooit enkele weken verbleven en langs de steeds wilder wordende natuur, de mangrovebossen en de stranden waar de schildpadden komen, naar de riviermonding toe. Maar wilde natuur is niet aan een jongetje van 8 besteed dus die tocht staat nog steeds op mijn verlanglijstje.
Het schip deed er een kleine 2 weken over om Nederland te bereiken, 2 weken waarin ik vriendschap voor het leven sloot met de 6-jarige dochter van de stuurman die ook meereisde (ik heb haar na het afscheid op de kade nooit meer gezien) en 2 weken die me altijd zullen bijblijven. Aan boord hadden we een klein zwembad vol zeewater. De eerste keer dat ik onder water zwom met mijn ogen open was meteen de laatste keer, het prikte verschrikkelijk. Het beste staat me nog bij dat ik op een dag, toen we de Azoren passeerden, op het voordek stond met mijn vader en er scholen vliegende vissen opdoken naast de boot.
In Nederland was het toen we aankwamen hoog zomer, ruim 34 graden, we hadden het gevoel dat we per ongeluk waren omgedraaid en terug gevaren. Alleen de palmbomen onbraken.
Mijn plek hier op school pikte ik snel op, leerde mezelf in zeer korte tijd plat Monnickendams spreken want in Paramaribo spraken we alleen Algemeen Beschaafd Nederlands en dat kan natuurlijk niet op een schoolplein en vervolgde mijn leven.
Deze herinneringen draag ik al 40 jaar mee. Misschien vind ik er nog wel meer als ik verder zou graven maar anderzijds: misschien vind ik in de toekomst wel nieuwe. Je weet maar nooit...

zondag 24 mei 2015

MIJN WATERLAND - MIJN VLAKKE LAND

EEN FIETSTOCHTJE

Zomaar een zondag, zomaar een fietstochtje. Enige jaren geleden was mijn fiets een soort houvast waar ik veel van af liet hangen. Als een volleerd jihadist probeerde ik met razend fanatisme iedere keer weer een paar seconden van mijn PR af te zweten, Mijn eerste beloning was een op en top nieuwe fiets, een Koga Miyata tourfiets, de eerste fiets ooit die me als gegoten zat. Mijn tweede beloning was een droomreis naar een ver eiland, een tocht die ik altijd zal meedragen. En dan was er uiteraard nog een droom-conditie, eentje die alweer 20 jaar achter me had gelegen maar die in de basis nog steeds aanwezig bleek.

Enfin...de fiets is er nog en het zonnetje werkte mee dus ik slingerde mijn been over het achterwiel en vertrok. De dijk beklimmend, de schittering van de Gouwzee tegemoet. De wind door mijn haren, de motorrijders bromden instemmend en mijn mede-weggebruikers waren allen mild gestemd, gezinnen met kinderen, rijdende haastklussen op smalle banden en zelfs mijn eigen banden zoemden tevreden in zachte kadans. Een fuut leerde haar kroost zwemmen en in de verte begaven ook de eerste waternimfen zich te water. Ligt het aan mij of zijn de kinderen van nu beter bestand tegen extreme temperatuurswisselingen? Of zijn de moeders (en tegenwoordig uiteraard ook vaders) minder bezorgd over alle microben die een koud lijf leken aan te trekken destijds?
Hoe dan ook, de wereld ontwaakte, mijn spieren rekten zich uit en deden waarvoor ze ooit geschapen waren: fietsen!

En: gedachten, eindeloos dwarrelend...

Soms, als het helder weer is, kan ik er niet onderuit: dan nestelt zich de Zuiderzeeballade in mijn hoofd. Ik zie dan de torentjes van Marken, Volendam, het Paard van Marken, de TV-toren van Hilversum en de onduidelijke bouwsels van Almere en zelfs Lelystad. En dan ontkom je er dus niet aan: "Aan den einder leit Emmeloord", ooit een Ijsselmeerhaventje op het eiland Schokland, nu een zielloze Vinex-wijk in de Noord-Oost-Polder.
Rechts van de dijk de met een flinke dosis fantasie eindeloze Waterlandse weilanden, hier en daar een laatste verdwaalde rietkraag van wat eens het trotse Goudriaankanaal had moeten worden, een aantal ganzen die, nog wel, aan de razzia's van de jagers zijn ontsnapt en de boerderijen, willekeurig neergeworpen door een reuzenhand.
Even uitwijkend voor een stel fietsende toeristen, te herkennen aan de rijwielen met rode bordjes voorop. Nee, ze nemen niet vaak gediplomeerd deel aan het verkeer maar compenseren dit met een mooie, hongerige nieuwsgierigheid naar onze streek en daarom houd ik van ze. Liever zie ik een slingerende Amerikaanse voor mij opduiken dan een bus vol luie bejaarden die richting de eeuwige Volendammer dijk koerst.
Voor de driesprong naar Marken ruik je het voorjaar in optima forma! In de winter is het patatkraampje namelijk niet open. Ervoor het geparkeerde blik van velen die niet zo gelukkig zijn hier dichtbij te wonen. Ik laat ze rechts en duik achter de dijk, op weg naar dat onduidelijke terrein dat ooit, in een verre toekomst, het huiselijk geluk moet gaan vormen van massa's "lekker-weg-in-eigen-land"-toeristen. Nu ligt er echter nog een moeras en camping Uitdam. Rommelig, maar de vlaggen klapperen altijd uitnodigend.
Dan Uitdam, ons kleine pareltje, als je een vliegje in je oog krijgt mis je het tijdens het wrijven, maar desondanks een dorpje waar een flink stuk scheepvaart- en visserij-geschiedenis ligt. Er doorheen rijdend vraag ik me altijd weer af waar nu die bakkerij heeft gestaan die destijds ook Zuiderwoude, Holysloot en de Poppendammer Gouw van hun dagelijks brood voorzag.
Rechtsaf richting Zuiderwoude. Een boerderij waar men ambachtelijk ijs verkoopt, glutenvrij! staat er ook nog bij.... In gedachten zie ik de boerendochter bibberend in de ijskelder van het huis met een netje in het ijs harken, zorgvuldig zorgend dat er geen gluut in achterblijft! Stel je toch voor dat de verwende Amsterdamse maagjes in aanraking komen met iets dergelijks...

De weidevogels trekken zich niet veel aan van het decor der hoge torens aan de Amstel. 's Avonds verlicht om vliegtuigen te missen, overdag slechts logge betonblokken. Grutto, scholekster, kievit en tureluur vechten om de aandacht, soms vol vederen majesteit poserend op een paaltje.
En heel soms, 1 a 2 keer per seizoen, verwaardigt de koningin der weide zich hoorbaar te maken en kun je, turend door de lucht, haar horen stijgen tot eenzame hoogte, jubelend, om zich daarna weer naar haar nest te storten, de leeuwerik, het mooiste geluid van de weilanden.

Het witte torentje van Holysloot schuift voorbij, het andere witte torentje van Waterland tegemoet, tot ik haar passeer. 1000 Jaar religie op een zandruggetje kijken op mij neer en ook hier ben je in een hoestbui doorheen. Gauw Gouw, de slootjes doen al jaren hun best om de veenweggetjes te bestijgen maar zijn daar al bijna 100 jaar niet in geslaagd. Kracht op de pedalen, eindpunt letterlijk in zicht, daar, naast het Spookhuis, hemelsbreed een kilometer ver.
Nog even een sprintje tegen de dijk op, de duistere stenen van het gemaal tegemoet, het sluisje over.

Het was een mooie rit, mijn hoofd was bepaald niet leeg maar zolang ik al rijdend deze beslommeringen zie en de conditie toch weer aangescherpt wordt ben ik een gelukkig mens.

woensdag 31 december 2014

ZOMAAR EEN MEISJE



85 jaar. Ze wordt wakker van de wekker die ze nog altijd zet. Zet haar bril op, doet haar kleren aan die ze de avond ervoor klaar had gehangen. Een fijn gestreken nieuwe blouse, een stijlvolle rok met een plooi erin. Straks gaat ze naar de kapper, even zichzelf helemaal op en top laten verzorgen.

Vanmiddag komt haar kleinzoon om haar af te halen, dan neemt hij haar mee naar zijn mooie Vinex-woning waar ze vanavond weer net een glaasje champagne teveel zal drinken en vervolgens vannacht licht giechelend thuis wordt gebracht.

Ze kijkt om zich heen. Vanaf het belendende nachtkastje kijkt haar man haar enigszins fronsend aan. Hij had altijd een hekel aan poseren, reden waarom hij alleen op vakantie-foto’s sporadisch lachend werd aangetroffen. Een fijne man. Hij was al vroeg in de handel gegaan, bij haar vader in het bedrijf. Een groot liefhebber van zeilboten, ze hadden heel lang een mooi jacht gehad. Van Zwitserse makelij, dat was een idee van haar vader, natuurlijk.

Boven de schoorsteen hangt nog altijd het schilderij dat haar leerlingen als afscheid hebben meegegeven toen ze met pensioen ging. Ze had 42 jaar lang in het onderwijs gewerkt, eerst als kleuterjuffrouw maar uiteindelijk was ze directrice geworden van een vrije school in Amsterdam-Zuid, de buurt waar ze was opgegroeid en waar ze nu weer woont.
Op straat wordt ze nog steeds hartelijk begroet door de paar oud-leerlingen die soms langskomen om hun ouders te bezoeken die er nog wonen. De bakker op de hoek reserveert altijd wat gebak als hij weet dat ze iets te vieren heeft. Zijn moeder was ooit haar beste vriendin. Helaas zit die sinds enige tijd in een verpleeghuis, verstopt in de mistdwarrels van haar eigen verleden. Ze is er nog een aantal keren geweest maar zag al gauw geen spoor herkenning meer.

De foto’s naast het raam tonen haar kinderen, haar zoon die 20 jaar geleden aan kanker overleed en haar dochter, die zal ze vanavond ook weer zien. Ze woont sinds enkele jaren in Bern. Ze ziet haar nu een keer of 4 per jaar, al heel wat meer dan voorheen want in 1985 was ze samen met haar man, die diplomaat is, naar Azië geëmigreerd.

Ze kijkt op haar horloge, 9 uur, over een half uurtje moet ze weg. Ze maakt zich op en kijkt in de spiegel, een keurige oude dame, tot in de puntjes verzorgd, maar altijd met een ondeugende lok die nét niet voor haar ogen hangt. Haar priemende, licht spottende, ogen konden haar leerlingen en haar kinderen alles laten bekennen wat hen op het hart lag, ze hadden altijd het gevoel dat ze toch wel alles wist. Logisch, ze had een goed geheugen,  was zelf ook jong geweest en had destijds alles uitgehaald waarvan ze wist dat het haar vader tot razernij zou brengen.

Ze vraagt zich af of ze nog even langs het buurthuis zal gaan, de oudjes zullen er wel weer zitten. Onder hen haar oude buurman die stiekem altijd een oogje op haar gehad heeft. Zelfs nu nog kan hij haar tot blozen brengen met zijn prettige attenties. Dan weer staat er een rode roos op haar tafeltje of ze krijgt ineens op straat een ijsje van een ijsverkoper die vertelt dat een oudere meneer met een groene shawl de afzender hiervan is.
Ze besluit het niet te doen, zoekt een kleurig, maar niet te opzichtig, jasje uit de kast, kijkt of haar nieuwe schoenen erbij passen, pakt haar paraplu en stapt de deur uit, deze zorgvuldig sluitend.
Als ze beneden de portiekdeur achter zich sluit en op straat staat haalt ze diep adem.
 
Op weg naar de kapper, naar de rest van haar leven. Een mooi, vol leven, moet ze toegeven.

85 jaar. Dat zou ze nu zijn…


Gelukkig is de wereld een stuk mooier geworden en worden mensen niet meer vervolgd om religie of ras.

donderdag 12 juni 2014

SURINAME DEEL 8 : DE SCHOOL



Een kroontjespen, een vloei, een inktpotje en boekjes van Ot en Sien.
Nee, lieve lezer, wij bevinden ons thans niet in het Dik Trom-schooltje van Etersheim en ook niet in het Zuiderzeemuseum: twee plaatsen die ons tonen hoe zo’n 100 jaar geleden onze opa’s en oma’s hun leerplicht vervulden.
Neen, wij bevinden ons in een warm en vochtig klaslokaal, meer een barakkencomplex, gebouwd van hout en gaas dat de naam basisschool mocht dragen. Het stond in de wijk Uitvlugt, Paramaribo, in de jaren 70.

In eerste instantie werd ik vanuit de Riverclub, onze tijdelijke verblijfplaats in afwachting van een toegewezen woning, dagelijks gebracht met een “wild busje”, zo geheten omdat er geen haltes waren, je stak gewoon je hand op teneinde mee te rijden, naar een openbare school in de buurt van de rivier.
Mijn ouders hadden echter al snel door dat ik me daar dood verveelde en trokken mij spoorslags mee naar een particuliere school, de Glenn Weisz School geheten.

Dit was een naar Surinaamse begrippen vooruitstrevende particuliere school, daar er geen sprake was van een schooluniform. Als je maar zorgde in enigszins nette kleren te verschijnen was het al prima. Dit vormde voor haar leerlingen geen probleem.
Een andere regel echter die ik destijds al apart vond was dat er perse Nederlands moest worden gesproken. Op straffe van verbanning naar het lokaal van “de directrice” (mevrouw Weisz zelve) kon je je daar beter aan houden, lijfstraffen waren toen zeker nog heel normaal in Suriname.
In eerste instantie werd ik toegelaten in de 1e klas (voor de wat jongeren: groep 3) daar ik mijn kleuterjaren reeds had volbracht op de Nuts-kleuterschool in Monnickendam onder auspiciën van juf Joke Brinkkemper. Deze vooropleiding bleek voldoende om mij een plek halverwege de klas te bezorgen, vrij anoniem, zonder veel extra aandacht van de juf.

Gelukkig maar, want de boekjes welke ter lezing werden aangeboden, naast eerdergenoemde Ot en Sien ook nog een reeksje met stichtelijke verhalen, genaamd "Onze Wereld", werden door mijn klasgenootjes met veel moeite doorgeploegd, terwijl ik vast vooruit las, want ik vond de verhaaltjes best mooi. 
Na enkele weken kwam juf Brinkkemper op het lumineuze idee om mij een kaart te sturen om te vragen hoe het met me ging. Mijn moeder raadde me aan deze kaart voor te lezen aan de juf, hetgeen ik deed. In eerste instantie enigszins ongeduldig, maar in tweede instantie toch wel ademloos hoorde ze mijn vlekkeloze voordracht aan. Ze nam een koelbloedig besluit en troonde me mee naar de directrice waar ik mijn kunstje mocht herhalen. Daar mijn vader op mijn 4e het geduld had gehad me lezen en rekenen te leren zag ik niet helemaal waarom men daar zo zenuwachtig over deed. Het resultaat was echter dat ik de maandag erop naar de 2e klas mocht.
Bijna ging het nog mis: inmiddels verveelde ik me weer, had alle boekjes uit en zat gedurende de les woordloze liedjes te zingen. Helaas vormde ik daarbij de lettercombinatie kon-ta-en nog wat, hetgeen het jongetje voor me deed uitroepen: “Juf, hij zei “kont”!!!!”
De juf, altijd alert op vroeg-sexuele uitspattingen, ontstak in wanhopige woede en riep: “JIJ gaat naar de directrice!!!!”

Daar ging ik dan, het klaslokaal uit, de houten deur met het gaas achter me dicht en de vlonder op. Deze laatste hield het schoolplein bijeen, daar dit werd gespleten door een soms smalle en soms brede greppel, afhankelijk van het jaargetijde. Intussen maakte vertwijfeling zich van mij meester. Weliswaar was ik mij van geen kwaad bewust, maar de directrice was geen dame om mee te spotten. Er was bekend dat ze een grote stok had, zo zwaar dat een eersteklasser als ik deze niet eens kon dragen. Wellicht vloog ze er soms rondjes mee om de school, stelde ik me zo voor. Hoe dan ook vreesde ik beiden in de komende confrontatie.
Op dat moment besloot ik dat ik het heft zelf in handen zou nemen. Met kloeke moed opende ik de begaaste deur aan haar zijde en stond tussen kinderen die zeker drie keer zo groot waren als ik. Met hun grote ogen keken ze naar me, terwijl ik een vloerplank zocht om stilletjes tussen te verdwijnen. De directrice, die mij herkende, vroeg, enigszins onzeker of ze aardig of streng moest overkomen: “Hallo, wat kom jij doen?”
Nu kon ik nog terug, zorgen dat ik zou opgroeien in alle eerlijkheid en reinheid en zonder vrees of blaam enzovoorts….
In plaats daarvan hakkelde ik: “Ehmmm….ik moest van de juf zeggen dat ik goed mijn best doe!” Ze schonk mij een mooie glimlach voor zover bezitsters van dodelijke stokken deze konden hebben en antwoordde: “Dat is mooi! Ik zei al: maandag mag je naar de 2e klas!”

Achteraf bezien heb ik geluk gehad dat de samenleving in Suriname zeer hiërarchisch was (en soms zelfs nog is) ingedeeld. Bovenaan stonden de moeders, die werden en worden door iedereen met egards behandeld. Daaronder kwamen de bazen, de onderbazen, de knechten en zo nog wat bevolkingsgroepen en tenslotte de kinderen en echtgenoten. Laatstgenoemden hadden vaak wel het idee dat ze iets te zeggen hadden maar dat was allemaal onderdeel van het grote spel dat de moeders al eeuwen hadden uitgezet. Enfin….mevrouw Weisz was een über-moeder van 150 kinderen en duldde dus van niemand tegenspraak, waardoor haar ondergeschikten praktischerwijs liever niet met haar spraken. Mijn promotie was daarmee bezegeld...

Uiteindelijk heb ik drie klassen doorlopen op deze school. Ik noemde al even de greppel die soms groeistuipen had. Dit had alles te maken met regenbuitjes.
Die bestaan namelijk niet in Suriname. Regelmatig gebeurde het me dat ik op mijn fietsje door de wijk tufte en in de verte meende een radio aan te horen staan. Veel ruis. Daarna…heel veel ruis! En vervolgens wist ik: Ooooowwwwkkeeeeeeejj….ik heb nu nog ongeveer 45 seconden om een goed heenkomen te zoeken…..Soms haalde ik dat en zag dan tot mijn geluk de gordijnen van water van onder ons huis voorbij trekken. Met donderend geraas openden de wolken zich dan als ware het een Niagara van motregen. Ik heb nooit vissen voorbij zien zwemmen in een dergelijke bui maar zou me kunnen voorstellen dat die ook verticaal in de war konden raken bij het zien van al dat watergeweld.
Hoe dan ook: als iets dergelijks zich ’s nachts of ’s morgens vroeg afspeelde lag ik mij in bed reeds te verkneukelen. De kans was dan namelijk aanwezig dat de afwateringsmogelijkheden van ons schoolplein tekort schoten, waardoor ik een vrije dag had. Dit gebeurde gemiddeld 2 keer per jaar, in Nederland is men dat studiedagen gaan noemen volgens mij.

Overigens ging men in die dagen niet meer zover dat er Nederlandsche topografie en biologie werd gegeven. Bij aardrijkskunde kreeg ik keurig de 9 districten en hun hoofdsteden te leren en de grotere plaatsen en rivieren van het flinke land (het is 4 keer zo groot als Nederland). Ze zitten tot op de dag van vandaag ferm geworteld in mijn hoofd, samen met alle dieren die ik via “Kennis Der Natuur” toegestopt kreeg.

De schooltijden bevielen me goed, half 8 tot half 1 en daarna vrij. Het Tropenrooster leek geknipt voor deze school. Overigens durf ik te beweren dat ik door het systematisch, deels klassikale stampwerk dat we te doen kregen, heel wat meer tot mij nam dan mijn Nederlandse leeftijdgenoten. Of het ook bijdroeg aan “het begrip” laat ik dan weer even aan pedagogen over.

Buitenschoolse contacten had ik eigenlijk niet met de leerlingen. Daar het een (naar ik inmiddels weet) duurdere particuliere school was ging een ieder zijns weegs en zagen we elkaar dus slechts rond de greppel. Gelukkig had ik een aantal vrienden in de buurt wonen waar ik ook regelmatig heen fietste. Dat wil zeggen: als het weer het toeliet…ook hier stond ik soms als een volleerd Indiana Jones met mijn fietsje op een boomstam te balanceren boven een greppel waar ik normaal door de bijna droge bedding reed maar die nu met het donderend geraas als vanuit de Grand Canyon voortstroomde.

Gelukkig duurden dit soort uitspattingen meestal maar een dag, daarna konden we elkaar weer opzoeken. Al met al kan ik stellen dat ook het educatieve element van Suriname dik in orde was. Ik kan het vele ouders en kinderen aanraden als land om, weg van al ons wester geraas, kennis te maken met het tropenleven op wat kleiner niveau. Mij is het in ieder geval met terugwerkende kracht erg goed bevallen...


vrijdag 3 januari 2014

Suriname deel 7: Carla






Vijfentwintig was ze. Reeds een aantal kinderen, ik wist niet precies hoeveel. Hindoestaanse.

De dag dat we ons mooie rode huis aan de Gondastraat 43 betrokken stond ze bij het hek, samen met een aantal andere vrouwen. Zij was echter de eerste en na een kort gesprek werd ze door mijn moeder aangenomen. Ze kwam een aantal ochtenden per week het huis doen, dat was gebruikelijk bij de Hollandse elite in Paramaribo. Soms als ik mazzel had was ze er nog als ik thuis kwam uit school, rond 1 uur ’s middags.
Ik begon altijd vroeg, half acht werden we geacht in de schoolbanken te zitten, maar was dus om half één vrij. Mijn school lag op zo’n 3 kilometer van ons huis, over een drukke weg, waardoor mijn ouders me niet alleen lieten gaan. Misschien waren er wel scholen dichterbij, maar die waren openbaar en dit was een zogenaamde particuliere school.
Ja, helaas was het klassenverschil in Suriname nog geheel bonton in die laatste jaren van de kolonisatie. Het was moeilijk om contact te krijgen met mensen uit andere lagen van de bevolking, kwamen mijn ouders al vrij vlot achter. En dus was het contingent Hollanders noodgedwongen op elkaar aangewezen, waar overigens heel fijne vriendschappen uit zijn voortgekomen.

Maar als Carla er dus nog was om 1 uur dan kreeg ik vaak een glas cola van haar, voor een jongetje van 6 net zo aanlokkelijk als bier voor een jongetje van 15. Hierop anticiperend trok ik wel eens de stoute schoenen aan en bracht op mijn fietsje een bezoek aan haar huis, zo’n 2 kilometer verder, de Tweede Rijweg over en dan nog een eind tot ik links de imposante moskee zag staan. Daartegenover woonde ze, overigens zonder iets met genoemde moskee te maken te hebben, zoals gezegd: ze was hindoe en dus afstammeling van de contractarbeiders welke begin 20e eeuw vanuit India naar Suriname waren gehaald.
Het terrein rond haar huis bestond uit een groot leefhuis, waar diverse kamers waren en diverse hangmatten hingen. Hieromheen waren, op het erf, een aantal barakken gemaakt van verweerd hout. Hierin bevonden zich veelal de keukentjes van de familieleden. Ik weet eigenlijk niet uit hoeveel leden de familie bestond en wat de onderlinge verbanden waren. Ik wist alleen dat haar man en haar broer er rondliepen en dat de meeste mannen een snor hadden. O ja, en ze had een paar dochters die ik, toen al, mooie meiden vond, iets ouder dan ik.
Verder huisde op het erf een geheimzinnige oude vrouw, vond ik dan. Ze was altijd in het wit gekleed en rookte volgens mij soms pijp. Maar dat kan ik er ook bij bedacht hebben om het aura van aangename griezeligheid iets te vergroten. Achteraf besef ik dat wit voor hindoes de kleur van de rouw is en dat dus haar man overleden geweest zal zijn. Maar in mijn beleving was ze minstens 100 jaar oud en dook ze soms op op de meest onverwachte plaatsen, altijd zwijgend observerend.

Ze was een hartelijk mens, gastvrij en netjes. Haar keukentje zag er altijd mooi opgeruimd uit, zelfs als ze aan het koken was. En koken, ja, dat kon ze wel!!! Ze is de eerste geweest die mij aan de “gele pesie” heeft gekregen, een gerecht met erwten (peas) en kerrie uiteraard, vandaar de gele kleur.
Ook haar kip massala heb ik sindsdien nooit meer zo lekker gegeten. Alleen het feit, wat ik achteraf hoorde, dat mijn ouders de kip persoonlijk mochten uitzoeken, deed me een beetje huiveren.
Anderzijds, deze kip had gezond en wel op het erf gelopen en had dus in haar kortstondig leven een stuk meer van de wereld gezien dan de meeste armzalige Nederlandse scharrelkippen.

Ook kwam ik door toedoen van Carla voor het eerst in contact met andere religieuze gebruiken, het diwali feest waarbij de kinderen tussen de lichtjes door mochten lopen en het holy phagwa waarbij we elkaar heerlijk vol verfwater mochten spuiten en dus eindelijk eens zo smerig mogelijk mochten worden, de douche was geduldig, zij het niet warm…De verdere context van genoemde feesten ontging me op dat moment een beetje, ja, diwali had iets te maken met het verjagen van boze geesten, maar ik kon me op dat moment niet herinneren daar ooit last van te hebben gehad.

Carla. Zij was absoluut een belangrijk deel van mijn verblijf in Suriname. Nu, 40 jaar later, een deel dat, getekend door de tijd, misschien wat koloniaal overkomt. Anderzijds…zijn wij Nederlanders en wij West-Europeanen eigenlijk wel zoveel veranderd in die 40 jaar?

Nog steeds menen wij de beste manier van leven te hebben gevonden. Deze gedachte baseren we op onze welvaart. En wij willen, soms desnoods door gebruik van lichte of zwaardere dwang, dat iedereen de verworvenheden van ons overneemt, wereldwijd.
Dat we hiermee soms geheel voorbij gaan aan andere culturen en andere normen die de rest van de wereld hanteert zien we dan niet. Onze “vrijheid” moet geëxporteerd worden, anders kan een ander niet gelukkig zijn.  Dat onze vrijheid zeer betrekkelijk is en meestentijds slechts wordt uitgedrukt in geld is iets wat wij allang uit het oog zijn verloren.
Ik vraag me dus oprecht af of ontwikkelingshulp in de letterlijke zin van het woord niet meer iets is dat wijzelf hard nodig hebben dan de mensen die wij denken met ons geld te moeten helpen…

Suriname. Niet eens mijn vaderland. Twee armzalige jaren. Maar goed voor een heel mensenleven.