zondag 11 augustus 2013

SURINAME, Deel 3: DE RIVIER





Soms, als ik wat neerslachtig ben, denk ik aan die rivier. Die fascinerend brede hoeveelheid snelstromend water uitmondend in de Atlantische Oceaan. Dat water dat zich uitstrekte over ruim een kilometer en waar de overkant een geheimzinnige bomenrij bevatte zonder verdere  tekens van leven. Op kaarten die ik op school zag, zag ik daar illustere plaatsen liggen als Albina, Moengo, Patamacca en Fort Nieuw Amsterdam. Maar in mijn beleving was het slechts heel veel water met aan de overkant het grote onbekende.

Toen we dan ook met onze Fiat 850 Paramaribo in reden, langs de Palmentuin, langs het gouvernementspaleis en daarna langs fort Zeelandia , om even verder linksaf de pont op te draaien, voelde ik me heel even erg onzeker over de lengte van mijn verdere leven.
Er reden heel veel auto’s met ons de pont op, hij was dan ook in mijn beleving erg groot, drie a vier rijen breed en met heel veel drukte, Creoolse vrouwen met grote manden bij zich, Hindoestaanse mannen op hard ronkende brommers, meestal oude Kreidlertjes, hier en daar wat schoolkinderen, keurig in uniform, op hun fietsen en wij dus, Hollands gezin, net aangekomen, in hun nog redelijk goed uitziende Fiat 850 tussen een hele hoop Japans blik.

Maar ondanks dat de pont groot was, reikte hij niet, zoals drs. P ooit een econoom liet vertellen, tot de overzijde van de stroom. En dus was die overzijde nog een allemachtig eind weg en zag ik mij genoodzaakt in te schatten hoever ik zou moeten zwemmen als de pont met al die auto’s om zou slaan. De gedachte stemde me niet erg optimistisch…
De klep ging omhoog, de schoorstenen rookten, er klonk een enorm kabaal uit de diepten en de kade verwijderde zich steeds meer naar onveilige verten. Toch was het ook een mooi gezicht, de stad vanaf het water, de witte toren naast het oude parlementsgebouw, verderop de bocht met de oude stenen van het fort Zeelandia en rechts van de pont dan toch eindelijk een beter zicht op dat geheimzinnige wrak dat midden in de rivier lag, gebroken in twee stukken die dicht tegen elkaar aan lagen, een roestbruine hoop staal, ongeveer zes meter uit het water oprijzend en waarin nog duidelijk de contouren van een romp zichtbaar waren.

Op dit moment wist ik nog niet waar dit wrak vandaan was gekomen. Een later bezoek aan fort Zeelandia leerde me dat het een Duitse vrachtscheepje was geweest dat in de tweede wereldoorlog de Suriname-rivier op was gevaren, juist met het doel daar tot zinken te brengen, om de rivier af te sluiten. Na enkele weken werd het schip gesommeerd naar de kant te gaan, waarop de dienstdoende Duitsers alle kranen opendraaiden (ze hadden de boel reeds geprepareerd zodat het snel zou gaan) alvorens met een bootje van boord te gaan. Overigens slaagden zij niet in hun opzet: doordat het schip precies midden in de rivier zonk stroomde het water er aan beide zijden extra snel omheen, waardoor 2 diepe geulen ontstonden en de rivier dus juist dieper werd.
Er hing een prachtige fotoserie in het fort waarop duidelijk te zien was hoe het schip steeds meer slagzij maakte, alvorens zich op haar zij te vleien in de donkere riviermodder, de witte stuurhut eerst nog iets boven het water uitstekend, waarna uiteindelijk alleen de donkere romp nog zichtbaar was, later door de tijd van een mooie vuilkoperen teint voorzien. En daar lag het 28 jaar later dus nog steeds, een diepe indruk achterlatend in de fantasierijke geest van een klein jongetje.

Al deze overpeinzingen zorgden dat de overkant al sneller hier was dan ik had voorzien, Paramaribo onverbiddelijk de nieuwe overkant makend. In een op onverklaarbare manier toch georganiseerde chaos vertrok de veelkleurige stoet van het schip, zich verspreidend over de stoffige zandwegen die leidden naar veel plaatsen waar ik nog nooit van had gehoord. Wij pakten ons weer in onze kleine groene auto en vertrokken naar de linkerzijde, richting Nieuw Amsterdam, in naam een oud fort, maar inmiddels was er “het openluchtmuseum” gevestigd.
Dit was niet, zoals het Zuiderzeemuseum bij ons, een park met een bepaald thema of tijdvak, maar weer een overzichtstentoonstelling van wat Suriname gedurende de afgelopen 3 eeuwen, de tijd dat de Hollanders er zaten, aan diverse volken en industrieën had gehad. In mijn hoofd zijn er twee zaken blijven hangen, een mooi beschilderde hut van de indianenstam die hier vroeger huisde en een piepklein stukje spoor met daarop een levensgrote stoomlocomotief, bewijs dat men vroeger minstens gepoogd moet hebben één en ander te mechaniseren. Uiteraard sprak laatstgenoemd vehikel meer tot mijn verbeelding, want je mocht er in klimmen en aan wieletjes trachten te draaien, hetgeen een vruchteloos gebaar bleek, want het apparaat stond er al ruim 50 jaar stil te wachten tot de oxidatie haar werk had gedaan. Vermoedelijk was het een treintje geweest dat dienst had gedaan in het binnenland, waar rond Brownsberg ooit enkele rijke goudaders waren gevonden die inmiddels grotendeels uitgeput waren. Overigens is er de laatste jaren weer meer activiteit op dat vlak en een flink aantal gelukszoekers is inmiddels weer bezig rond de berg (die eigenlijk een heuvel is van een kleine 600 meter hoog).

Op de terugweg stopten we nog bij een Javaans eethuisje dat mij kennis deed maken met het eten met je handen, niet zijnde patat. We kregen het geserveerd op grote bananenbladeren en, los van het feit dat ik het niet heel smakelijk vond, was ik ook erg onwennig over de etenswijze, welopgevoed als ik was. Inmiddels is dit geheel veranderd en ben ik een groot liefhebber van Javaans eten, maar dit terzijde.

Verder ging het, terug naar de rivier en terug naar de overkant. De pont lag geduldig op ons te wachten, aanzienlijk minder druk bezet dan op de heenweg en terwijl de stad Paramaribo in al haar pracht steeds dichterbij kwam, de grote branden uit de jaren 80 en 90 hadden nog niet plaatsgevonden dus het oud-koloniale aanzien vanaf de rivier was nog ongeschonden, verzonk ik in gepeins, waardoor deze bewuste dag zich voor altijd in mijn hoofd heeft genesteld.

Inmiddels zijn er dus branden geweest, is er een brug gebouwd en zijn er meer scheepswrakken bijgekomen in de snelstromende Surinamerivier. Ik heb echter na 1975 geen beelden meer in mijn geheugen, waardoor het fungeert als een oud fotoboek met veel moois.

zondag 28 juli 2013

SURINAME, deel 2, allemaal beestjes...




Geheugen is een mooi ding.

Soms zitten er gebeurtenissen tientallen jaren ergens in een achteraf kamertje in je hoofd, wachtend tot iemand een deur opendoet.
Afgelopen week ben ik de donkere gangetjes achterin mijn hoofd eens binnen gegaan en vond een paar deuren waarvan ik niet meer wist dat ze nog bestonden. Deuren die heel lang geleden dicht gingen en bijna 40 jaar onder het stof zaten.

En ineens was ik daar weer: dat jochie van 6, 7 jaar, dat met zijn familie het avontuur aanging, emigratie naar een ver land. Natuurlijk, tevoren hadden we bij Bruynzeel een promotie-filmpje gezien over het land "Suriname", maar dat beperkte zich met name tot de houtkap en houtverwerking ter plaatse. Bruynzeel was 1 van de 2 pijlers waar de Surinaamse economie op dreef destijds. De andere was Suralco, het bedrijf waar bauxiet werd gewonnen voor de Amerikaanse vliegtuigindustrie (bauxiet is een grondstof voor aluminium).

Nadat we aangekomen waren in Paramaribo verbleven we eerst enige dagen in hotel Kersten, een filiaal van Krasnapolsky, in de binnenstad. Op aanraden van de chef van mijn vader gingen we echter al snel naar de Riverclub een luxe motel net buiten de stad, op de weg naar het fort Purmerend. Dat was sowieso al grappig in Suriname: een hoop plaatsnamen refereerden aan oude plantages, die vaak de namen hadden van Nederlandse steden en dorpen. Zo lag aan de overkant van de rivier Nieuw-Amsterdam, een eind verder de stad Wageningen en zelfs een districtshoofdstad, Groningen genaamd (hoofdstad van het district Saramaca).

Tegenwoordig is de Riverclub een "nachtclub", eufemisme voor een plek waar dames van lichte zeden hun vak uitoefenen. Destijds was het voor mij gewoon een plek waar Natasja rondliep, mijn vriendinnetje van 6, dochter van de eigenaar.
We reden er heen in een taxi langs de Surinamerivier. Inmiddels had ik in de stad al heel wat vergane glorie gezien, maar buiten de stad stonden, als respectabele dames op leeftijd, nog altijd de ooit glorieuze panden die hadden toebehoord aan trotse plantage-eigenaren die hun rijkdom ongetwijfeld hadden verworven door het lafhartige slavenstelsel, toen nog maar 110 jaar geleden.
Nu waren het echter op zijn best vaalgrijze houten gebouwen, waarvan de luiken mistroostig omlaag wezen, gerafeld hangend als borstelige wenkbrauwen.

De andere zijde van de taxi toonde de machtige Suriname-rivier, in mijn beleving als kind wel een kilometer breed (en het zal niet veel gescheeld hebben...), de overzijde gehuld in mysterie, daar ik er nimmer mensen kon onderscheiden, slechts kleine huisjes die wellicht de poortwachters der dood huisvestten. Mijn fantasie was ook toen al vrij levendig. Het water kwam tot ongeveer een 80 meter van de stuivende zandweg en bevatte veel, heel  veel, kleine gele balletjes.
Dit bleken sinaasappelen te zijn, niet de oranje die we kennen in Nederland, maar de zogenaamde “perssinaasappelen”, die in Suriname gewoon gegeten worden. Vrij zuur en een vreselijke puinhoop als je ze eet. Waar Nederland zich, toen al, collectief schaamde voor haar boterberg en melkplas, werden overtollige oogsten hier gewoon zonder meer in de rivier geflikkerd, aldus een paradijs creërend voor alle organismen die hier belang bij konden hebben.

De Riverclub was een stijlvol motel, vergeven van de kakkerlakken, 2 a 3 cm groot, die onderling wedstrijden deden wie de hoogste menselijke gilfactor teweeg kon brengen door ineens op te duiken achter een badkamergordijntje. Er was een mooi, schoon, zwembad, een vrij grote speeltuin met een flinke glijbaan en een bar met gemoedelijk personeel waar je gewoon kon vragen om wat drinken en dan kreeg je het gewoon. Ja, als 6-jarige kon ik hier wel aan wennen.
Alleen kreeg ik ’s avonds de schrik van mijn leven toen ik, op weg van de bar naar ons appartement, stiet op een forse gestalte, ongeveer reikend tot mijn knie, die mij de weg versperde. In de schemer zag ik dat het een dier was, maar kon er zo gauw even geen naam aan geven. Al gauw opende het zijn bek en sprak met flinke eerbiedwaardigheid en een fors volume: “BAAARRRPP”.
Aldus mijn kennismaking met het fenomeen “brulkikker”. Het waren amfibieën die zeker een 20 centimeter groot waren en die je op de straatweg nog wel eens in platte vorm tegenkwam.
Maar hier, in ons luxe motel aan de tropische rivier, vormden zij een deel van de natuurlijke habitat, samen met eerdergenoemde kakkerlakken, muskieten zo groot als je duim, libelles als een kinderhand en meer mooi insektengebroed.

Tevens werd mij op het hart gedrukt niet teveel in het hoge gras te vertoeven omdat daar slangen zaten en die konden giftig zijn. . Ja, Suriname is een kleurrijk land….
Toch heb ik er een paar mooie jaren doorgebracht, dankzij de aardige mensen, de toch nog aanwezige grandeur en de mooie natuur. En ja, ook de dieren werden een mooi deel van het dagelijks leven, hoewel soms enigszins irritant.

Suriname dus, een tot voor kort verstopte gang in mijn achterhoofd, maar al schrijvend komt er een soort toverwereld tevoorschijn. Ik ben echt erg benieuwd wat er achter de volgende deur zit…

Suriname, 40 jaar geleden...


26 juli 1973: 's ochtends vroeg op, jochie van 6. Zenuwachtige bedrijvigheid, snel, snel, in de auto. We, mama, papa, zusje en ik, worden naar Schiphol gebracht. Spannende spanning.

Daar staan we dan, eindeloze rij, wachten en dan....naar ...het vliegtuig. Geen "gate" of rolpaden, gewoon lopen aan de hand van mama. Het vliegtuig is groot! Naar binnen en ik mag bij het raampje. Dan heeeeeel lang wachten voor het toestel gaat rijden, inmiddels 8 of 9 uur 's ochtends. We kijken naar buiten en zien het uitzichtterras van Schiphol. Ik herinner me de bril van oma, zo'n ouderwetse met van die donkere randjes, zo eentje als de moeder van Tom Hanks ophad in Apollo 13.

Daar staat ze, kromme gestalte, tussen haar andere kinderen, zwaaiend naar haar kind en haar 2 kleinkinderen, zich groot houdend.
Ik wil bij haar zijn, haar hand vasthouden, maar ze verdwijnt uit mijn raampje en voor een tijd uit mijn leven, alleen nog een oma in letters, die ze wekelijks schrijft.

Het vliegtuig gaat heel hard rijden, veel lawaai en dan zie ik ineens de grond heel snel kleiner worden. Ik probeer oma nog te vinden, maar ze is nu te klein.

Nederland bewolkt en amper 8 graden, de dag ervoor zelfs 6. Tussenstop in Lissabon, al iets beter qua temperatuur. Daarna een hele lange vervelende vlucht naar volgende tussenstop, Curacao. Even uit het vliegtuig. Een deken valt over ons heen. Wat onzettend warm. Zijn we er al??? Nee, nog een klein stukje....

's Avonds laat vliegveld Zanderij, ik heb behoorlijk vieze snoepjes gekregen en een paar mooie KLM-speldjes van een meneer in een mooi uniform. Ik heb ze nog jaren bewaard, ben ze inmiddels kwijt.
Met een busje naar hotel Kersten in de binnenstad van Paramaribo. Naar bed, wat warm!!!

Ineens zit je in een ander leven, een avontuur dat niet lijkt op je droom over de indiaan in de nieuwbouwwijk. Een lawaaiige warme stad met oude houten gebouwen, veel kuchende auto's en hardrijdende wilde busjes. Wel een klein zwembadje bij het hotel. Oma is nu ver weg.

26 juli 1973: een aardverschuiving voor een klein jochie. Het pakte uiteindelijk uit als een mooi avontuur, zelfs een paar maanden met oma, die op haar 74e (in de tijd dat je dan echt al bejaard was!) voor het eerst uit Nederland vertrok en in Suriname kwam wonen bij ons. Zittend op de veranda, begroet door iedereen die langskwam ("Heeeee, oma!!!"), ze had de tijd van haar leven, maar het was wel warm. Ze had inmiddels zelfs 2 "extra" kleinkinderen waar ze net zo dol op was.

40 jaar, het is nog steeds warm in Paramaribo, nog steeds (soms) koud in Nederland, nog steeds zit het avontuur in mijn hoofd en oma leeft voort in onze verhalen.
Vanaf deze plek, 40 jaar later, groet ik iedereen die toen meespeelde in dit verhaal. Met warmte.
Meer weergeven

dinsdag 23 juli 2013

ONS DORPJE



De zogenaamde “Progressive Rock” mag zich nog niet zo heel lang tot mijn favoriete muziekstromingen rekenen, althans, niet bewust.
Natuurlijk was ik als jochie van 10 al bezig met ELO, vond ik “toevallig” de hitnummers van uitgerekend UK, Triumvirat, Klaatu, Emerson, Lake & Palmer en Genesis best goed en was ik wat later best onder de indruk van Marillion, ook zo’n hitbandje.  Maar om dat nou “prog” te noemen….nee,  gewoon leuke muziek, net als Jean-Michel Jarre, Hot chocolate en Kim Wilde (hoewel die laatste niet alleen om de muziek ging, mea culpa).
Nog steeds vind ik het trouwens een term van niks want totaal de lading niet dekkend, iets wat denk ik een zeer grote meerderheid met me eens zal zijn. Er is werkelijk niets progressief aan de muziek waar “wij” van houden, bijna integendeel. Maar vooruit, het beestje moet een naam hebben en dus is het gewoon mooie muziek met een lelijke naam.
Vijf jaar geleden startte ik een klein platenwinkeltje, eigenlijk meer voor de lol. Alleen kwam al snel mijn collega en toeverlaat Alice erbij en die zette (overigens met mijn volledige instemming en toejuichingen) al gauw de uitstraling van de zaak naar haar hand. Aldus was een klein “progwinkeltje”geboren.
Halverwege 2010 bevond ik me als persoon op een punt dat ik flink zoekende was en me dit ook realiseerde. Ik besloot, onder veel meer, me dan ook maar eens te gaan verdiepen in de muziek die steeds meer in het winkeltje werd verkocht.
Gedurende de afgelopen 15 jaar was ik al bezig geweest met Porcupine Tree, Anathema, Sigur Ros en diverse Kraut- en Postrockgezelschappen dus een totaal groentje was ik nu ook weer niet. Ook de naam Spock’s Beard rinkelde al een belletje maar verder….
Via de diverse bladen (IO Pages) en sites (Background Magazine, Proglow afterglow, Progwereld) raakte ik steeds meer ingevoerd in de muziek en haar adepten. Toen ook via Facebook een aantal groepen actiever werden, werd het zelfs leuk in de zin dat je er aardige contacten aan overhield.
Want dat mag gezegd worden van “het Progwereldje”: het is een dorpske met een aantal leuke jongens en meisjes. Natuurlijk zit er wel eens een pestkopje tussen, maar in principe zijn we denk ik, mede vanwege onze leeftijd wellicht, heerlijk verdraagzaam en openminded ten opzichte van elkaar.
Een verademing in een steeds verder Ver-Pee-Vee-Vee-Ende samenleving.
Inmiddels heb ik me behoorlijk ingegraven in de muziek die momenteel interessant is in “de scene” en maak ook al weer stappen op andere muzikale vlakken, zoals met name de afdeling singer-songwriters, nog zo’n “ouwelullen-scene” (u herkent de knipoog hoop ik??).
En tot slot kan ik eindeloos genieten van een serie ouwe Ferry Maat’s Soulshows die ik onlangs op de kop tikte. Ouwe meuk van Earth, Wind & Fire, The T-Connection, Rick James en Change en lekkere andere dancekrakers van lang geleden.  O ja…en laat ik de lekkere lome jazz-albums die ik bij tijd en wijle opzet niet vergeten!
Kortom: Ja..ik ben een muzikale veelvraat, maar moet zonder meer zeggen dat “ons dorpske” me het best bevalt. Dit heb ik op Night of the Prog weer mogen ervaren met een hoop mooie muziek, aardige muzikanten en fijne mensen. Dank daarvoor!

maandag 29 oktober 2012

HELDEN




Ieder kind heeft wel iemand waaraan het zich spiegelt. Tegenwoordig zijn het vaak tekenfilmfiguren, die aliens bevechten terwijl ze zelf in transformer-achtige pakken rondlopen. Of karakters van Belgisch komaf, zoals Mega Mindy. Hoe dan ook: de moderne entertainment-industrie weet iedere keer fabuleus in te springen met een mooie marketing en merchandise campagne zodra er een nieuwe film of serie is.

Vroeger was dat eigenlijk niet anders. Wie heeft niet rondgelopen met een cowboyhoed, indianentooi of minstens een namaakpistool, liefst zo echt mogelijk. En dan maar zo stoer mogelijk proberen te praten, zoals je dat ooit op televisie had zien doen door John Wayne, Clint Eastwood of Henry Fonda. Je ziet soms nog wel jongetjes die heel lang in dat gedrag zijn blijven hangen, want dergelijke helden lustten best een stevige borrel en staken regelmatig een sigaret op, iets wat sommigen tot redelijk hoge leeftijd blijven volhouden. Maar nu dwaal ik af.

De meeste mensen groeien op als redelijk verstandige volwassenen, die steeds meer van zichzelf vinden in plaats van hun helden na te doen. Wel kan men zich laten inspireren door anderen, vaak komt dan het rijtje Nelson Mandela, Moeder Theresa, Mahatma Ghandi en Lady Gaga voorbij.

Maar al die “echte helden” staan eigenlijk nog even ver van ons af als eerder genoemde westernhelden of tekenfilmfiguren. In onze directe omgeving vinden we maar zelden iemand die op dergelijke hoogte staat. Of…..????

Meer dan 20 jaar geleden leerde ik iemand kennen bij radio Monnickendam. Een gozer met een nogal eigenzinnige kijk op dingen die bovendien nog wel eens vond dat hij gelijk had en dat ook soms in niet al te diplomatieke bewoordingen uitte. Maar, het is een cliché, hoe bot hij soms ook overkwam, zijn hart zat op een hele goede plaats.

In het voorjaar van 1996 verkocht hij mij bovendien zijn platenverzameling, deels is die nog steeds deel van mijn eigen verzameling, maar alles wat er dubbel in zat bood ik te koop aan op een kleine platenbeurs in Purmerend, hetgeen de basis vormde van de handel die ik nu bezit.
Ik verloor hem een tijdje uit het oog, maar vond hem 8 jaar geleden weer  terug, als winkelier in één van de kleinste winkeltjes aan het Zuideinde.
We hielden sindsdien op en af contact, iets wat al gauw niet moeilijk is als je beiden in Monnickendam woont.

Zowel het voordeel als het nadeel van wonen in een kleine gemeenschap is dat iedereen veel weet van iedereen en er ging dan ook een schrikgolf door het stadje toen bekend werd dat hij ziek was.
En niet zomaar, nee, ALS, een erg nare spierziekte, sowieso terminaal en daarnaast afstevenend op een naar einde.

En toen gebeurde er iets bijzonders: Uiteraard was er ongeloof, woede, angst, verdriet. Maar tussen dit alles ook iets anders: besef. Besef dat hier tegen gevochten moest worden, niet zo zeer om beter te worden (hoewel die hoop er wel was) maar vooral gevochten zodat anderen zouden weten wat deze ziekte inhield, zouden willen helpen in het gevecht tegen deze gruwelijke ziekte. Toen ik in die beginperiode bij Pim en Johanna langs ging werd mij op het hart gedrukt dat ze NIET zielig waren!
Ze waren, ook toen, gewoon bezig de boel praktisch aan te pakken. Er werd een evenement opgezet om geld in te zamelen voor de bestrijding van de ziekte, er werden foto’s en films gemaakt om later te laten zien als voorbeeld voor anderen en er werd een blog geschreven waarin echt alles werd gedeeld: de woede, het verdriet omdat deze woede zich soms juist richtte op de mensen die veel betekenden, de machteloze achteruitgang, maar ook: het genieten van mooie momenten, van uitjes, van fijn samenzijn. Mooie, indrukwekkende verhalen, geschreven door een sterk mens.
Natuurlijk is het zo dat je weinig keus hebt als eenmaal je tijd gekomen is. Maar je hebt wel degelijk de keus om dit stil over je heen te laten komen, zoals heel menselijk is en waar ook niets mis mee is. Of om dit in alle openheid te laten gebeuren en al je twijfels en angsten aan anderen te vertellen, om hen te doen inzien dat er meer middelen nodig zijn om dit soort ziektes te bestrijden.
In die zin ben ik blij dat ik in Monnickendam woon en dat ik dus een held van nabij heb mogen zien. Pim, ik heb zo’n gevoel dat je zult zeggen: “ja, wat schiet ik hier nou mee op!”, maar voor veel mensen ben ook jij een bron van inspiratie geworden de afgelopen tijd en we zijn er trots op jou te mogen leren kennen.

dinsdag 31 juli 2012

29 Juli 2012, RD 79




Voor mij staat een klein jongetje,6 jaar, blonde haren, de angst voelbaar in zijn grote ogen.
Ik zie hem en merk ineens dat er geen professor Barrabas nodig is om een teletijdmachine te bedienen. Die zit opgesloten in het brein van ieder mens, ook het mijne.

Ineens sta ik daar zelf, bijna 40 jaar geleden, bovenop de steiger, voor de oranje boot van mijn oom, de RD 79. De steiger staat anderhalve meter boven het water, de stap is ongeveer 70 centimeter, in mijn beleving afstanden die te groot zijn om mij genoeg veiligheid te bieden. De zenuwen kriebelen in mijn buik en leggen een knoop in mijn zenuwbanen, waardoor ik verlamd sta, klein jongetje, blonde haren, grote ogen.

Daar is Papa. “Kom maar, Peter-Jan, ik geef je een hand.” Maar dat gaat niet, ik kan niet meer bewegen en sta, stuk levend trillend steen boven aan de loopplank. Grote armen tillen me op, ik doe mijn ogen dicht en…sta aan boord. Moedig doe ik een stap op het voordek. Zie je wel, ik durf best. Het grijze ijzeren dek voelt stevig onder mijn voeten en van stag naar stag stappend loop ik naar de rand, waarvan af je via een ijzeren opstap op het benedendek stapt. Ook dat is een enorme stap voor een zesjarige, maar gelukkig ligt daar geen water onder.

We gaan een dag zeilen op de boot van opa. Toen hij 6 jaar geleden overleed, werd zijn boot de boot van oom Ab, de broer van mijn vader. Sindsdien ligt hij op een vaste plek, vooraan in de haven van Durgerdam, de plek waar hij daarvoor ook al lag. De volwassenen lopen druk door elkaar en wij kinderen doen ons eigen kinderdingen. Ik duik even het vooronder in, een klein hok waar je links en rechts op matrassen kunt liggen met binnen ook nog een koelkastje, een eight-track-speler (hoewel ik toen nog niet wist dat dat ding zo heette) en een gasstelletje. En in een laatje soms een paar snoepjes, altijd fijn voor stiekem zoekende kinderhandjes. Helaas, vandaag niet.

Ik stap het dubbele houten deurtje door, weer aan dek en zie dat de andere kinderen, een neefje en nichtje, rechts op het dek zitten. Ik ga naast ze aan de reling staan, de motor, een oude T-Ford, draait inmiddels met een heidens, loeiend kabaal waar ik ontzettend de pest aan heb.

De volwassenen praten met elkaar op die volslagen onbegrijpelijke manier van praten die volwassenen hebben. Het klinkt allemaal vertrouwd omdat je de stemmen kent, maar de woorden zijn een brij die niet door je hersenen kan worden vertaald. “Hij pingelt een beetje, vind je niet?” “Ja, dat komt omdat ik laatst garmonella getankt in Schieduiven en volgens mij zat daar vuil in.” “O??? Maar heb je daarna je filters wel schoongeroggeld?” “Nee, want de parlefour van de plok maakte zo’n herrie dat ik dacht dat de grommert geschoten was.”
Nou ja….en zo verder…..
Gelukkig gaat even later de motor af en worden de zeilen gehesen, heerlijke stilte, bruisend kielzog, lichte golfslag, hoorbare zonnestralen. Ik sta aan de reling en kijk naar het opspattende water achter het zwaard dat aan de zijkant in het water steekt. Zelfs het altijd drukke hoofd van een zesjarige komt tot bezinning bij het zien van zoveel mooie rust.

Er staat een stevige wind en de boot gaat soms best schuin. Ik vind het een beetje eng, maar zie dat de volwassenen, Oom Ab, Papa en Tante Dick er geen moeite mee hebben. “Hij kachelt er lekker vandoor!” zegt mijn vader. “Ja, ik denk dat er wel een windkracht 4 a 5 staat, dus dat loopt wel lekker,” is het antwoord. “Moet je zien, daar heb je Pampus al!” roept tante Dick, die meestal wat moeite heeft met teveel stilte en dus altijd nog wat harder praat dan de rest van de familie Jong. Schuin naast ons doemt het eiland op met een hoop onduidelijk beton bovenop, een ruïne die wildernis geworden is. “Let je wel op dat je niet te dicht onder de wal komt”, roept iemand, maar het is te laat. De boot schokt hevig en ineens een flinke knal en een plons in het water. “Godverdomme, nou komt mijn mast ook nog naar beneden,”roept oom Ab. Er wordt druk door elkaar gepraat, we zijn wel los, maar de zeilen klapperen in de harde wind. “Omlaag die lappen” en daar worden de zeilen verder omlaag gehaald. En nu de motor starten. Veel gehoest, een hoop gerommel, maar er gebeurt na wat aanvankelijke klappen verder niets. Verderop komt een bootje aan: “Kunnen we misschien helpen?” roept iemand. “Nou, als je een slepie kunt geven tot de haven, dan zou dat fijn zijn.”
Terug in de haven is het laatste woord nog niet gezegd, er wordt hevig gediscussiërd tussen beide broeders, terwijl tante Dick haar best doet om uit te leggen dat we binnen 40 minuten al bij Pampus waren. Blijkbaar was dat heel snel…

(Flits!) Ik zie het jongetje staan en zeg: “Kom maar Jelmer, ik geef je een hand.” Hij doet aarzelend een stapje vooruit, maar blijft plotseling met een lichte trilling staan, afgrijzen in zijn ogen, het natte ravijn van anderhalve meter ziend. “Wacht maar”, zeg ik en stap aan wal, wend zijn blik af en til hem op. “Hou je maar goed vast”, zeg ik. Hij doet zijn ogen dicht en staat 2 seconden later op het voordek.

Mijn gedachten zijn bij hem. Zou hij later net zo’n tijdmachine in zijn hoofd hebben? En zou hij zich dan deze dag herinneren, de dag dat we nog één maal de boot van ome Ab, de oude vissersboot van overgrootopa Jong, de haven uitvoeren? De motor slaat aan, een hoop herrie. We kunnen jammer genoeg niet de zeilen erop zetten, daarvoor zijn de vallen te verrot en dus niet veilig. Ik kijk naar de huisjes, langzaam gaan we de haven uit, zoals dit schip dat al zo vaak heeft gedaan in de laatste 73 jaar. Links doemt het vuurtoreneiland van Engel op, rechts zien we nu Ijburg, op de plek waar opa destijds ook viste, onder de Diemer zeedijk. Ik zie de gaten in het dek, in de stalen “deken” die over de bun gelast is, de groene bankjes. Ik kijk naar mijn vader, die aan het roer zit met naast hem zijn oudste zus, tante Sjouke. Zij zijn de enigen die er nog bij zijn, deze laatste vaart. Ze zeggen niet heel veel. Boven het lawaai van de motor uit hoor ik de stilte, het geruis van het water, ik zie de pracht van het Ijsselmeer, de oude Zuiderzee. Na 10 minuten keren we om en varen langzaam terug naar Durgerdam, weer de rij huisjes, daartussen in de kapel en, naar het lijkt, ook de stompe toren van Ransdorp. Rans Dorp 79. Een lelijke ouwe smerige mooie rooie boot met een lang verleden, terug tot 1933.

Bijna was hij gebleven. Soms is verstand heilzamer dan gevoel.  Maar pijn doet het.