zaterdag 21 mei 2011

A Trip To Scotland, Dag 6



Mannen met  hamers kun je overal tegenkomen, maar ik had er toch niet één verwacht op het eiland Mull, een eiland westelijk van het Schotse vasteland, op een druilerige dag ergens in augustus.
En toch ben ik nimmer zo blij geweest met een kleine neringdoende in the middle of nowhere, om mij te helpen aan mijn zéér langverwachte shot cola….

’s Ochtends reed ik, na afscheid te hebben genomen van de aardige dame waar ik overnacht had, de laatste 8 mijl in de richting van Oban, havenstad in het noordwesten van Brittanië en vertrekplaats van veerboten naar de binnen- en buiten-Hebriden.
Aldus  op mijn stalen ros gezeten ging ik, andermaal links rijdend, de weg naar de havenplaats op en bereikte deze na niet te veel moeite, waarna ik al gauw ook de terminal vond van de diverse veerboten. De boot vertrok een uur later, hetgeen mij nog even de tijd gaf het stadje nader te bestuderen. Een leuk plaatsje met een kleine haven, maar toch wel met enige allure vanwege het feit dat het een zeehaven betreft. De kade is een allegaartje van negentiende eeuwse gebouwen waarin een grote verscheidenheid aan winkeltjes zit, met name een flink aantal juweliers, want deze streek blijkt rijk te zijn aan zilversmeden die zich met name bezighouden met het ontwerpen van sieraden met diverse Keltische en vroeg-Christelijke symbolen. Mooi! Geen filialen van winkelketens, hetgeen betekent dat de vermaledijde projectontwikkelaars dit plaatsje nog niet gevonden hebben. 

De boot bleek een slag groter dan “onze” boten naar Texel en Terschelling, met een echt Roro-dek.
Aangezien ik dit tijdens mijn vaart naar Newcastle ook al had meegemaakt, wist ik wat me te doen stond. Aanwijzingen volgen van de verkeersregelaars en vervolgens ergens achteraan mijn fiets met een paar riemen vastsjorren aan de daartoe bevestigde beugels. Daarna de boel achterlaten (dit ruim was gelukkig bewaakt, op de boot naar Engeland werd mij aangeraden ál mijn bagage mee te nemen) en vele trappen op naar het bovendek.
Het eerste deel van de vaart keek ik, zoals altijd als ik op zee zit, mijn ogen uit naar alle bedrijvigheid rond ons: de schepen die van en naar Oban voeren en ook naar andere, verder gelegen havens. De eilanden welke ons omringden met allen verschillende landschappen, erg imposant.
Naarmate we het eiland Mull echter naderden betrok de lucht en moest ik, gedwongen door de vochtige mist, mijn heil in de kajuit zoeken. Vandaaruit constateerde ik dat de mist overging in miezerige regen, hetgeen de rest van de dag niet meer zou stoppen. Nu ja, je kunt niet alles hebben, ook dit had zijn charme, met name toen we Mull naderden en Duart Castle ons tussen de druppels door tegemoet druilde. Een mooie sfeer voor een sp(r)ookjesachtig kasteel.
De pont afrijdend in Craignure zag ik dat het nog zo’n 57 mijl was over het eiland. Die ochtend had ik al vastgesteld dat er slechts één piek in zat van een kleine 400 meter hoog, dat moest te doen zijn, dacht ik…

Het eerste deel van de weg was ruim, doch nat. Net toen ik me begon af te vragen waarom men mij had gewaarschuwd zichtbare kleding te dragen, kreeg ik het antwoord. Na een kleine 3 mijl veranderde de weg namelijk, zoals vaker in wat meer afgelegen gebieden in Schotland, in een éénbaansweg met zogenaamde “passing places”. Het is dan de bedoeling en dat gebeurt ook, want de Britten zijn een stuk beleefder dan de Nederlanders, dat men wacht op zijn of haar tegenligger, waarna een ieder weer met een goed gemoed zijns weegs gaat. Gelukkig hebben fietsers hier weinig last van, hoewel......
Enfin, verder ging het weer, richting Strathcoil, waar ik hoopte mijn voorraad victualiën te kunnen aanvullen, want ik was die ochtend vergeten cola te kopen.
En toen maakte ik een kardinale fout. Ik reed in een lekker tempo en zag een bordje waaruit bleek dat Strathcoil linksaf was. Omdat echter op mijn kaart stond dat het aan de weg lag, dacht ik dat het dorp nog zou komen en reed dus verder. Na een kilometer of drie was ik erachter dat dit dus het dorp WAS, bij die afslag, maar besloot niet terug te gaan, maar in plaats daarvan dan maar de eerste plaats achter de heuvels te bezoeken.
De daarop volgende twee en een half uur heb ik die beslissing betreurt. Het bleek dat genoemde piek van 400 meter zo was aangelegd dat deze gedurende 15 mijl continu tergend langzaam steeg, doch genoeg om de verzuring in mijn, toch niet bijster als klimgeit getrainde benen, fors te doen toeslaan. En na iedere bocht hoopte ik, en na iedere volgende bocht wanhoopte ik, want ging de weg onverbiddelijk weer een stuk omhoog. De regen werd dichter, of de mist werd zwaarder, daar kwam ik niet helemaal uit,  maar één ding was zeker: het einde was nog zeker niet in zicht!
Naar schatting op driekwart van mijn beproeving zag ik voor mij een auto parkeren en een paar mensen uitstappen. Het was zonder meer een mooie omgeving en er waren hier nog best wat toeristen. Dit waren Henk en Nel, uit Woudrichem, ja, natuurlijk, Hollanders, wie is er anders zo gek om naar dit natte land op vakantie te gaan, bromde mijn interne stem. Maar ik was wát blij met de boterham met echte Hollandse kaas die ze me verstrekten en enigszins opgemonterd vervolgde ik mijn weg.

Gelukkig bleek ik bijna aan het eind van het eerste deel mijner beproeving en pakweg 2 kilometer verder nam de weg een weldadige duikvlucht, 8 mijl lang, naar beneden. Ik was echter inmiddels te moe om een snelheidsrecordpoging te doen en liet het maar over me heen komen.
En aldus kwam ik aan in het kleine winkeltje, midden in het niets, met nog 5 mijl te gaan naar het volgende plaatsje, Pennycross geheten. Op mijn vraag of ze daar nou veel aanloop hadden was het antwoord: “Ja, natuurlijk, er is hier verder in de wijde omtrek niets!” Ik nam dit terstond aan en vroeg of er wel vaker fietsers stopten bij hun nering. Het antwoord was onverwacht: “Jawel, vooral als het regent.” Maar uiteindelijk bleek ik het prototype van de suffe toerist te zijn, die met net te weinig voedsel de zware, vrij lange, weg door de heuvels begint en dan tot de ontdekking komt dat zijn brandstof op is. Tja….Buiten trof ik in de drooggevallen lagune het wrak van een kleine vissersboot aan, hetgeen een wonderschoon plaatje opleverde.

Uiteindelijk bleek ook het vervolg van mijn dagtrip nog behoorlijk zwaar. Het was nog 21 mijl, dus zo’n 33 km, maar bevatte vooral korte steile klimmetjes die echt de dood zijn voor je kuiten. Meerdere malen heb ik achterstevoren biddend op mijn fiets gezeten, omdat ik net lekker op snelheid was van een heuveltje af en beneden vol in de remmen moest omdat mijn tegenligger een forse vrachtwagen was of de busdienst Fionphort-Craignure. En om dan datzelfde stuk weer omhoog te komen…..
Enfin, om 5 uur ’s middags draaide ik de oprijlaan op van mijn logeeradres in genoemd Fionphort, Iona wachtte nog slechts één dag op mij en was op 1 mijl afstand, met een stuk water ertussen…

zaterdag 7 mei 2011

A Trip To Scotland, Dag 5



Kom Kerstfeest vieren in de Crianlarich Inn, onze meesterkok die diverse awards heeft gewonnen met zijn Indische curry zal u verrassen met….enz. enz…
Deze wervende tekst werd gelardeerd met mooie foto’s van rustieke blokhutten in een romantisch sneeuwlandschap. Echter, op donderdag 5 augustus 2010 lag er geen sneeuw in Crianlarich. Bovendien was de kok al ruim een half jaar niet meer in dienst en dat kwam door de nieuwe eigenares, die overduidelijk geen local was. Dit alles werd mij toevertrouwd door een alleraardigste serveerster in het Crianlarich hotel, waar ik, zoiets al vermoedend afgaande op de deplorabele staat van onderhoud van de barakken, besloten had mijn diner te nuttigen.
Onze verstandhouding was sowieso al zeer vriendelijk toen ik, na gehoord te hebben dat de soep van de dag voor de vijfde achtereenvolgende dag tomatensoep bleek, had geïnformeerd of de tomaten deze week in de aanbieding waren wegens een overvloedige oogst.
Ik nam mij dan ook voor dat ik, als ik ooit zou terugkomen in Crianlarich, zou overnachten in dit hotel, dat er een stuk gastvrijer uitzag dan de barak waar ik zowel mijn fiets als mijzelf voor de nacht stalde en daar, gezien de kwaliteit van het gebodene, veel te veel voor betaalde.

Na een redelijk ontbijt, thee, slappe scrambled eggs en toast met jam, was inmiddels de vijfde dag van mijn tocht aangebroken, een dag die, zo had mij de eigenares van mijn volgend bed and breakfastadres mij toevertrouwd, mij in eerste instantie iets omhoog zou brengen en vervolgens een lange rit omlaag beloofde. Tevens de dag met verreweg de kortste afstand van deze dagen, ruim 60 kilometer. Dit had ik expres zo gepland, zodat ik, mocht het ruige binnenland van Schotland mij te zwaar worden, desnoods de afstand kruipend binnen een dag zou kunnen afleggen. Dit bleek echter al snel niet nodig.
De weergoden hadden voor de derde achtereenvolgende dag besloten met mij te zijn. Om me heen zag ik tegen de diverse heuvels/bergen (al naar gelang de perceptie van de lezer, 1000 meter, zeg het maar) indrukwekkende wolkenpartijen omhoog kruipen, maar de daaruit voortvloeiende watergordijnen gingen steeds op miraculeuze wijze aan mij voorbij. Dit gaf wel weer ruimte voor een partij foto’s met indrukwekkende lichtval. Ik noteerde vast dat ik bij terugkomst om te beginnen een serieuze fotocamera moest gaan aanschaffen, want het van mijn moeder geleende kleinood voldeed behoorlijk goed, maar er moesten absoluut betere resultaten te behalen zijn met een apparaat waar de zoom- en groothoekfuncties wat uitgebreider in aanwezig waren.

Om een idee te krijgen van de pracht die ik aantrof bij deze de tekst van een SMS die ik naar het thuisfront stuurde: “Je zou dit eens moeten zien  zeg! Ik ben bij een loch met zwart water, de zon schijnt, heuvels aan de overkant met daarin verscholen een regenbui. Schitterend! Geluk zit in een klein hoekje voor wie het vinden wil!” Tja, mooie natuur maakt poëtisch….
Voort ging het weer, met gezwinde spoed. Al mijn twijfels van de eerste twee dagen waren volledig verdwenen, het gemak waarmee ik heuvels beklom was inmiddels flink toegenomen, het weer werkte fantastisch mee en de natuur werd met de minuut mooier. Hoog in de lucht hoorde ik het geluid dat onmiskenbaar toebehoorde aan een aantal grote roofvogels, vermoedelijk de zogenaamde “golden eagles”. Deze gouden adelaren komen met name voor aan de westkust van Schotland en bevinden zich op de rand van het land en de zee. En opnieuw verwenste ik mijn “kleine” camera toen even verderop hoog aan het zwerk een tweetal van deze imposante gevleugelden tevoorschijn kwamen en hun religieuze dans tentoon spreidden. Als armoedig alternatief beschreef ik dit feit middels een SMS-je ter attentie van mijn zoontje van vijf die verschrikkelijk dol is op alles wat met adelaars te maken heeft.
Rijdend langs de uitgestrekte loch met, inderdaad, zwart glanzend water besloot ik dat een dergelijke manier van leven me wel aanstond. Fietsen, foto’s maken, genieten, een beetje schrijven. Waar heeft een mens een miljoen voor nodig indien hij of zij in staat is om met zo weinig middelen zoveel uit het leven te halen. Mijn levensgeluk werd echter enigszins ruw verstoord door het opschrift van een bordje dat een pittige waarschuwing inhield bij een iets verder gelegen pleisterplaats, waar het talud het toeliet de walkant van het loch te betreden tot het water, indien men dat wenste, kon worden aangeraakt. De exacte formulering weet ik niet meer, maar de opwekkende boodschap begon met: “Don ’t become  a statistic”, en hieronder werd kond gedaan van het feit dat jaarlijks tussen de 8 en 25 mensen jammerlijk verdronken in één der vele lochs die Schotland rijk is door in een overmoedige bui te gaan zwemmen in het diepe, donkere water….
Beelden van opduikende gruwelmonsters, slierten hardnekkige waterplanten of zelfs polka spelende harmonikaspelers gingen mijn geestesoog voorbij, doch het bleek simpelweg te gaan om de diepte en derhalve de plotselinge kou van het water die, ook voor geoefende zwemmers, fataal kan zijn.
Ik nam deze waarschuwing dan ook vrij serieus en beperkte mij tot het ledigen van een blikje cola, het verorberen van diverse sultana’s en het nemen van enige mooie plaatjes.

Gaandeweg was de wind steeds verder aangewakkerd, eigenlijk voor het eerst sinds mijn landing in Newcastle. Het was duidelijk te merken dat mijn doel, west-Schotland, rap naderbij kwam. De westenwind die mij toch nog langzamer deed rijden dan ik had verwacht was pittig, ik schat een windkracht 5. De heuvels werden ook allengs lager, hetgeen duidde op een nadering van de kuststrook. Ik moet toch toegeven dan er enig gevoel van trots door mijn aderen vloeide. Weliswaar was de overtocht minder gruwelijk geweest dan ik had gevreesd, maar het doel: na 3 maanden training, komend vanaf conditie nul, spontaan een onbekend land oversteken, was zonder al te veel kleerscheuren bereikt en kon bijgeschreven worden in het boek mijner sportieve laureaten, waarin ook al vermeld stond dat ik van mijn 17e tot mijn 23e jaarlijks 12,000 kilometer met de fiets had afgelegd, iets wat ik thans niet eens met de auto haal. De tussenliggende 20 jaar waren er vervolgens ongeveer 20 kilometer per jaar gereden en nu dus inmiddels ruim 500 heuvelachtige kilometers in 5 dagen.
Ik reed inmiddels langs een mooie, laten we het fjord noemen, helaas met veel verkeer op de weg, zodat het onmogelijk was te stoppen om dat prachtige plaatje te nemen van een paar Schotse Hooglanders die tot hun harige buik in het water stonden. Idyllisch, doch verziekt door vrachtverkeer…volgende keer beter.
In de verte zag ik inmiddels de brug bij Connell, een grote stalen brug die de weg naar het noorden bevatte. Het dorpje, dicht bij Oban, was tevens mijn slaapplaats, met uitzicht op de falls of Loran, waar de getijden een schitterend samenspel hadden met genoemde brug, de eilanden voor de kust en de op- en ondergaande zon.
Het geheel werd vervolmaakt door een fantastisch visrestaurant dat haar Michelin-nominatie meer dan waarmaakte en…zeer betaalbaar! Tja, het blijven Schotten he?
Voldaan strekte ik mij uit op het comfortabele bed en overdacht mijn volgende, laatste dag van deze rit….

zondag 24 april 2011

A Trip to Scotland, dag 4


Callander, Scotland….
Zoals zoveel plaatsen in Schotland blinkt dit stadje niet uit door zijn eeuwenoude gebouwen en indrukwekkende kathedralen. Het moet het meer hebben van de roemruchte verhalen over de McLarens en McGregors, waar Rob Roy de bekendste van was en de immer aanwezige strijd voor  vrijheid van de katholieke Schotten tegen de heidense protestanten uit Engeland.
Het is tevens de plaats die, in mijn ergste angstdromen, de poorten van de hel inhield, of in ieder geval toch de plek waar voorbij de highlands in de vorm van reuzen van ruim 1000 meter hoog oprezen uit de lieflijke omringende heuvels.

Toen ik dus die ochtend in Dunblane op mijn fiets stapte, na een copieus ontbijt, scrambled eggs, gegrilde bospaddestoelen, uitgebakken spek en drie glazen vers geperste jus d’orange (zo genoemd omdat mijn medelogees Fransen waren, de conversatie was dus wat gebrekkig) hoopte ik stilletjes dat het enigszins zou meevallen. De afgelopen dagen was mij duidelijk geworden dat ik geen carriere in de wielersport hoefde na te streven, althans, de bolletjestrui zou toch niet echt haalbaar zijn, gezien mijn geringe klimprestaties. Het afdalen ging daarentegen erg goed.
Het eerste stuk, tot aan Doune, ging voorspoedig. De weg ging licht omhoog, maar inmiddels was mijn klimconditie gedurende de voorgaande dagen hand over hand toegenomen, zodat het kleine stijgingspercentage me hoegenaamd geen moeite kostte. Doune bleek een piepklein stadje met gelukkig wel een kleine supermarkt, waar het dagrantsoen cola werd ingeslagen. Twee blikjes, voor als het suikertekort toeslaat. Mijn thermosbeker bevatte bovendien, zoals iedere dag, het equivalent van twee kopjes oploskoffie, dus ook rond 10 uur kon ik een shot cafeïne verwachten, als gebruikelijk.
Jammer genoeg was de supermarkt echter aan de rechterkant van de weg, tenminste, in de richting die ik uitging. Dit bezorgde me dus voor de tweede keer gedurende deze week verontruste blikken van Britse automobilisten die zich, terecht, afvroegen, waarom die stomme vastelander aan de verkeerde kant van de weg reed. Na 50 meter herstelde ik mijn fout, stak over, en reed links verder over de A84, richting eerdergenoemd Callander dus.

De omgeving waar ik mij bevond was licht bebost en belemmerde, gelukkig in mijn ogen, het uitzicht op de toppen waar ik later mee te maken zou krijgen. Halverwege Doune en Callander, op een truckersparkeerplaats bij een onooglijk hekje, parkeerde ik mijn fiets en pakte mijn koffie en een pakje sultanas, ik ben een gewoontemens en had 3 gezinsverpakkingen van die dingen meegenomen.
Gezien de, ondanks de vele bomen, enigszins mistroostige omgeving, geen uitzicht, drukke doorgaande weg, veel vrachtverkeer zag ik geen aanleiding om een SMS-je naar het thuisfront te sturen.
Enfin, aan alle mooie dingen komt een eind, zo ook aan mijn beker oploskoffie, dus toog ik weer op mijn stalen ros, schakelde naar de 27e versnelling en schoot de weg op, met 37 km per uur licht omlaag, met 17 km per uur licht omhoog enzovoorts.  En zo, langzamerhand, reed ik het bos in, waarachter volgens het kaartje, dat veilig onder het waterdichte plastic van mijn stuurtasje zat, de eerste bergen zouden liggen….

Aanrijdend op Callander viel het me al op dat de plaats qua bouwwerken weinig schokkends te bieden had. Wel was de omringende natuur erg mooi, iets wat blijkbaar door het stadsbestuur was gezien en overgenomen, getuige enkele fraaie parken die het centrum doorsneden.

Ineens…een bordje….met een fiets erop…en een wegwijzer richting Strathyre en Kingshouse, 18 en 22 mijl weliswaar, maar, vreemd genoeg, weg van de snelweg. Ik twijfelde. De hoofdweg waar ik op dat moment op reed bood niet echt ruimte voor inspiratie. Het was op deze hoogte de enige hoofdweg tussen de oost- en westkust van Schotland en dus overvloedig gevuld met vrachtverkeer. Ik nam toch maar de gok en sloeg linksaf, het stadspark in.  Het zonnetje brak door, de vogeltjes kwinkeleerden en het gemoed was optimistisch gestemd. Kwart over 11, donderdagochtend. Al gauw had ik door dat in ieder geval een deel van deze route populair was. Er reden mij diverse gezinnen met kinderen tegemoet, die klaarblijkelijk dit park ook erg mooi vonden.
Na enige tijd kwam ik bij een vreemdsoortige helling. Ik had iets dergelijks nog nooit gezien op een fietspad. De weg ging hier steeds 100 meter vrij stijl omhoog, waarna er een haakse bocht was (zeg maar een haarspeldbocht) en de weg weer 100 meter stijl omhoog ging. En dit een keer of 20, waardoor je in zeer korte tijd zeker 300 a 400 meter steeg. Al na de 4e bocht gaf ik het op, moest afstappen en vervolgde mijn weg te voet, het gewicht van mijn fiets met vijf fietstassen meezeulend. Boven aangekomen werd echter al snel duidelijk waar deze exercitie goed voor was. Het pad, dat aanvankelijk nauwelijks breed genoeg was voor twee elkaar passerende sturen, werd breed genoeg om een boswachtersauto te kunnen doorlaten. Voorts bleek, toen het struikgewas wat minder dicht werd, dat ik parallel aan de grote weg reed, maar dan zo’n 400 meter hoger en vrijwel zonder verdere hoogteverschillen, terwijl de grote weg duidelijk één lange rechte weg was met een hoop vals plat er in…En….oh…wanhoop!!! nog steeds kwamen mij gezinnen met kleine kinderen tegemoet fietsen, jochies van 6 op hun crossfietsjes voorop…..ik voelde me een beetje voor paal staan….dit waren dus de gevreesde highlands, keurige brede fietspaden met weinig hoogteverschil die op een mooie zomerse ochtend bedwongen konden worden door mijn zoontje van vijf. Tja…

Voort ging het, naar Lochearn en het eraan gelegen Lochearnhead. Een meer midden tussen de bergen waar het zomers blijkbaar aangenaam genoeg is om te zwemmen, getuige het restaurant met grote steiger aan het water. Ik bestelde een soep van de dag (ja, natuurlijk, tomatensoep), ging op het terras zitten en keek naar de waterskiërs die er overduidelijk les kregen gezien de spectaculaire vallen die er werden gemaakt. Terug maar weer, naar mijn hoog en droge fietspad, wederom via een zigzaghelling, maar ik raakte er al bedreven in. Onderweg kwam ik een stel Duitsers tegen die me vertelden dat ze de route naar het noorden volgden, richting Kilin. Deze route zou geheel over fietspaden gaan. Of mijn route, richting Crianlarich, ook fietspaden zou bevatten wisten ze niet. Dat werd mij later wel verteld door een medetourfietser van Schotse komaf. Die wist mij te vertellen dat het laatste stuk van die rit weer over de hoofdweg zou gaan, een zeer gevaarlijke weg, zo waren zijn opbeurende woorden…Daar ik echter jarenlang in Amsterdam heb gefietst, maakte ik me niet zoveel zorgen hierover.

Om 4 uur ’s middags draaide ik het terrein op van mijn slaapadres, een onooglijk stel barakken die er op het plaatje een stuk knusser uitzagen. Eén ervan was de mijne voor een nacht. Ik zette mijn fiets binnen en overdacht de zwaarte van mijn fietstocht tot nu toe….

dinsdag 5 april 2011

A trip to Scotland, dag 3



Kijkend op mijn, na twee intensieve fietsdagen enigszins verfomfaaide, kaart zag ik dat ik weliswaar naar Lanark kon rijden, 8 mijl westelijk van Carnwath, het plaatsje waar ik verbleef, maar ik kon evengoed alvast de goede kant op rijden, richting Falkirk. Onderweg daar naartoe zou ik 2 stations tegenkomen, waarvan eentje na 25 mijl. Dat leek me de juiste keuze, dan kon ik daar alsnog een besluit nemen inzake mijn vervoermiddel gedurende de rest van mijn reis door Schotland.

Zo gedacht, zo gedaan. Na een overvloedig ontbijt, scrambled eggs, uitgebakken bacon, gegrilde tomaten en paddestoelen, ”no sausaces please, but I do like a cup of tea”, nam ik afscheid van de zeer vriendelijke eigenaar van the Carnwath vineyard en na hem beloofd te hebben wat reclame voor zijn bed- and breakfast adres (bij deze dus) te maken, gespte ik de fietstassen, voor, achter en aan het stuur, weer aan mijn vehikel en reed verder het stadje in.
De weg was gelukkig geasfalteerd en ging bovendien omlaag op dit punt, dus mijn banden gaven te kennen dat ze net zo blij waren met het moment als ik, ze snorden van tevredenheid.

Net buiten het stadje kreeg ik echter te maken met het vertrouwde beeld van Schotland. Zoals ze zelf zeggen: “Óf het regent, óf het gaat regenen”. En dat laatste was dus het geval. Een miezerig regentje dat net genoeg was om flink nat van te worden zorgde voor iets minder levensgeluk.
Overigens was ik hierop voorbereid en in no time had ik dus mijn lange broek aan. Mijn regenpak liet ik voor wat het was, want het was een graad of 16 en dat was warm genoeg om zeer serieus in te gaan zweten met de inspanningen die ik dagelijks verrichtte. 

Nu had mijn “landlord” mij bezworen dat ik even buiten het stadje naar rechts moest en vervolgens een eind verder de tweesprong naar links moest nemen. Tot op de dag van vandaag twijfel ik over die beslissing. Recht voor mij zag ik Rootpark liggen, het eerste stadje dat ik volgens mijn kaart moest passeren, op een flinke heuvel, dat wel. En linksaf ging het een stuk minder stijl, via het dorpje Forth, maar dus wel via een omweg. En als ik ergens een hekel aan heb….dat wil zeggen…op de fiets dan! Mensen die mij kennen weten dat ik de onhebbelijke gewoonte heb om juist met de auto bijna nooit dezelfde heen- en terugreis te nemen. En die gewoonte bezorgd me al jarenlang verrassende, mooie, soms tegenvallende, maar soms ook absoluut romantische, ritten. Mijn gevoel voor romantiek was op deze druilerige dinsdag echter niet geheel aanwezig, vermoedelijk mede door het feit dat ik slechts mijn fiets als spreekkameraad had, en die zei niet zoveel terug.
Met mijn chagrijn aldus op mijn tong reed ik het grauwe stadje in en zag, gelukkig, al gauw een supermarkt. Mijn “alzheimer light” (citaat van mijn buurman in de binnenstad) had wederom toegeslagen en ik was dus ’s ochtends vergeten mijn tandenborstel in te pakken. Gelukkig bleek de uitbater deze te verkopen, alsmede twee blikjes cola, zodat ik ook deze dag niet suikervrij door hoefde te komen.
Enfin, via Whitburn en Armadale ging het naar Avonbridge, wederom via de kortste route, hoopte ik. Weer mis….en zelfs nu nog zit ik op de Googlemaps te staren wát er misging. Ik ging toch écht bij dat stoplicht rechtdoor en zag geen weg linksaf…..en die staat wel op de kaart!!!!! En dus zag ik tot mijn afgrijzen wederom een grote boog in mijn te rijden route ontstaan die er niet was toen ik met mijn liniaal in de weer was, thuis. Grommend zat ik op mijn rijwiel, maar zag en passant wel het station in aanbouw onder de weg door schieten (ik reed heuvelaf). Het weer klaarde ook wat op en ik voelde me in redelijk goede conditie, dus besloot toch maar door te rijden.
Vervolgens reed ik de voorsteden van Falkirk in, een industriehavenstad die vooral erg grauw is. Het enige positieve wat ik hieraan kan vermelden is dat in de plaatselijke winkelstraat een prima pub zit die een redelijke soep van de dag (wederom tomatensoep) serveerde. Een paar glazen melk vervolmaakten het banket en op weg ging het weer, richting Stirling, oude hoofdstad en beroemd om zijn mooie kasteel en voortreffelijke tweedehands platenzaak, waar ik ooit voor 15 pond de LP had “gescoord” van de band “Idle Race”, voorloper van ELO en The Move. Aardige plaat, maar heeft, zoals veel jaren 60-psychedelica meer curiositeits- dan muzikale waarde.
Daar ik ook hier de rechte lijn aanhield ging ik dus recht door het oude stadscentrum en werd daar aangehouden door een stadswacht. Ik vreesde dat ik mij in voetgangersgebied bevond, maar hij was vooral benieuwd naar mijn fiets. De vele bepakking erop deed hem vragen of ik nog wel hard kon fietsen. Ik antwoordde dat het heuvelaf meestal rond de 30 mijl ging, heuvelop meer rond de 8 mijl. “Wow, it looks like a car!” sprak hij bewonderend. Duidelijk, in dit deel van Schotland kwamen dus niet heel veel toeristen op de fiets.
Het was inmiddels wat later in de middag, ik passeerde het Wallace-monument,  en ik moest nog naar Dunblane, de stad die bij ons vooral bekend is vanwege het feit dat een zelfmoordenaar in 1996 een kleuterklas uitmoordde voor hij de hand aan zichzelf sloeg. Een feit dat ter plekke nog op een plaquette op het plaatselijk kerkhof wordt aangegeven. 
Slechts dit feit vermelden zou deze mooie stad echter tekort doen. De enorme kerk die in het oude centrum staat en de wijze waarop de rivier zich door het stadje wringt en waar men een mooi wandel (en fiets-)park omheen heeft aangelegd, dwars door datzelfde centrum, zijn reden genoeg om deze stad in een eventuele reis door Schotland op te nemen.
Ook de plaatselijke Chinees is dat. Deze serveert een iets authentiekere schotel dan wij gewend zijn, zeer smakelijk en lekker gekruid. De man informeerde zelfs of ik het wel een goed idee vond om slechts gerechten met “drie pepertjes”te nemen. Daar ik me op dit gebied echter reeds jarenlang heb misdragen en aldus een ijzeren pot in mijn maag heb gekweekt zag ik hiertoe geen bezwaar.
Mijn logeeradres was mooi, uitzicht op de rivier en het was voor het eerst dat ik volmondig besloot de volgende dag verder te fietsen, de highlands in….