dinsdag 23 juli 2013

ONS DORPJE



De zogenaamde “Progressive Rock” mag zich nog niet zo heel lang tot mijn favoriete muziekstromingen rekenen, althans, niet bewust.
Natuurlijk was ik als jochie van 10 al bezig met ELO, vond ik “toevallig” de hitnummers van uitgerekend UK, Triumvirat, Klaatu, Emerson, Lake & Palmer en Genesis best goed en was ik wat later best onder de indruk van Marillion, ook zo’n hitbandje.  Maar om dat nou “prog” te noemen….nee,  gewoon leuke muziek, net als Jean-Michel Jarre, Hot chocolate en Kim Wilde (hoewel die laatste niet alleen om de muziek ging, mea culpa).
Nog steeds vind ik het trouwens een term van niks want totaal de lading niet dekkend, iets wat denk ik een zeer grote meerderheid met me eens zal zijn. Er is werkelijk niets progressief aan de muziek waar “wij” van houden, bijna integendeel. Maar vooruit, het beestje moet een naam hebben en dus is het gewoon mooie muziek met een lelijke naam.
Vijf jaar geleden startte ik een klein platenwinkeltje, eigenlijk meer voor de lol. Alleen kwam al snel mijn collega en toeverlaat Alice erbij en die zette (overigens met mijn volledige instemming en toejuichingen) al gauw de uitstraling van de zaak naar haar hand. Aldus was een klein “progwinkeltje”geboren.
Halverwege 2010 bevond ik me als persoon op een punt dat ik flink zoekende was en me dit ook realiseerde. Ik besloot, onder veel meer, me dan ook maar eens te gaan verdiepen in de muziek die steeds meer in het winkeltje werd verkocht.
Gedurende de afgelopen 15 jaar was ik al bezig geweest met Porcupine Tree, Anathema, Sigur Ros en diverse Kraut- en Postrockgezelschappen dus een totaal groentje was ik nu ook weer niet. Ook de naam Spock’s Beard rinkelde al een belletje maar verder….
Via de diverse bladen (IO Pages) en sites (Background Magazine, Proglow afterglow, Progwereld) raakte ik steeds meer ingevoerd in de muziek en haar adepten. Toen ook via Facebook een aantal groepen actiever werden, werd het zelfs leuk in de zin dat je er aardige contacten aan overhield.
Want dat mag gezegd worden van “het Progwereldje”: het is een dorpske met een aantal leuke jongens en meisjes. Natuurlijk zit er wel eens een pestkopje tussen, maar in principe zijn we denk ik, mede vanwege onze leeftijd wellicht, heerlijk verdraagzaam en openminded ten opzichte van elkaar.
Een verademing in een steeds verder Ver-Pee-Vee-Vee-Ende samenleving.
Inmiddels heb ik me behoorlijk ingegraven in de muziek die momenteel interessant is in “de scene” en maak ook al weer stappen op andere muzikale vlakken, zoals met name de afdeling singer-songwriters, nog zo’n “ouwelullen-scene” (u herkent de knipoog hoop ik??).
En tot slot kan ik eindeloos genieten van een serie ouwe Ferry Maat’s Soulshows die ik onlangs op de kop tikte. Ouwe meuk van Earth, Wind & Fire, The T-Connection, Rick James en Change en lekkere andere dancekrakers van lang geleden.  O ja…en laat ik de lekkere lome jazz-albums die ik bij tijd en wijle opzet niet vergeten!
Kortom: Ja..ik ben een muzikale veelvraat, maar moet zonder meer zeggen dat “ons dorpske” me het best bevalt. Dit heb ik op Night of the Prog weer mogen ervaren met een hoop mooie muziek, aardige muzikanten en fijne mensen. Dank daarvoor!

maandag 29 oktober 2012

HELDEN




Ieder kind heeft wel iemand waaraan het zich spiegelt. Tegenwoordig zijn het vaak tekenfilmfiguren, die aliens bevechten terwijl ze zelf in transformer-achtige pakken rondlopen. Of karakters van Belgisch komaf, zoals Mega Mindy. Hoe dan ook: de moderne entertainment-industrie weet iedere keer fabuleus in te springen met een mooie marketing en merchandise campagne zodra er een nieuwe film of serie is.

Vroeger was dat eigenlijk niet anders. Wie heeft niet rondgelopen met een cowboyhoed, indianentooi of minstens een namaakpistool, liefst zo echt mogelijk. En dan maar zo stoer mogelijk proberen te praten, zoals je dat ooit op televisie had zien doen door John Wayne, Clint Eastwood of Henry Fonda. Je ziet soms nog wel jongetjes die heel lang in dat gedrag zijn blijven hangen, want dergelijke helden lustten best een stevige borrel en staken regelmatig een sigaret op, iets wat sommigen tot redelijk hoge leeftijd blijven volhouden. Maar nu dwaal ik af.

De meeste mensen groeien op als redelijk verstandige volwassenen, die steeds meer van zichzelf vinden in plaats van hun helden na te doen. Wel kan men zich laten inspireren door anderen, vaak komt dan het rijtje Nelson Mandela, Moeder Theresa, Mahatma Ghandi en Lady Gaga voorbij.

Maar al die “echte helden” staan eigenlijk nog even ver van ons af als eerder genoemde westernhelden of tekenfilmfiguren. In onze directe omgeving vinden we maar zelden iemand die op dergelijke hoogte staat. Of…..????

Meer dan 20 jaar geleden leerde ik iemand kennen bij radio Monnickendam. Een gozer met een nogal eigenzinnige kijk op dingen die bovendien nog wel eens vond dat hij gelijk had en dat ook soms in niet al te diplomatieke bewoordingen uitte. Maar, het is een cliché, hoe bot hij soms ook overkwam, zijn hart zat op een hele goede plaats.

In het voorjaar van 1996 verkocht hij mij bovendien zijn platenverzameling, deels is die nog steeds deel van mijn eigen verzameling, maar alles wat er dubbel in zat bood ik te koop aan op een kleine platenbeurs in Purmerend, hetgeen de basis vormde van de handel die ik nu bezit.
Ik verloor hem een tijdje uit het oog, maar vond hem 8 jaar geleden weer  terug, als winkelier in één van de kleinste winkeltjes aan het Zuideinde.
We hielden sindsdien op en af contact, iets wat al gauw niet moeilijk is als je beiden in Monnickendam woont.

Zowel het voordeel als het nadeel van wonen in een kleine gemeenschap is dat iedereen veel weet van iedereen en er ging dan ook een schrikgolf door het stadje toen bekend werd dat hij ziek was.
En niet zomaar, nee, ALS, een erg nare spierziekte, sowieso terminaal en daarnaast afstevenend op een naar einde.

En toen gebeurde er iets bijzonders: Uiteraard was er ongeloof, woede, angst, verdriet. Maar tussen dit alles ook iets anders: besef. Besef dat hier tegen gevochten moest worden, niet zo zeer om beter te worden (hoewel die hoop er wel was) maar vooral gevochten zodat anderen zouden weten wat deze ziekte inhield, zouden willen helpen in het gevecht tegen deze gruwelijke ziekte. Toen ik in die beginperiode bij Pim en Johanna langs ging werd mij op het hart gedrukt dat ze NIET zielig waren!
Ze waren, ook toen, gewoon bezig de boel praktisch aan te pakken. Er werd een evenement opgezet om geld in te zamelen voor de bestrijding van de ziekte, er werden foto’s en films gemaakt om later te laten zien als voorbeeld voor anderen en er werd een blog geschreven waarin echt alles werd gedeeld: de woede, het verdriet omdat deze woede zich soms juist richtte op de mensen die veel betekenden, de machteloze achteruitgang, maar ook: het genieten van mooie momenten, van uitjes, van fijn samenzijn. Mooie, indrukwekkende verhalen, geschreven door een sterk mens.
Natuurlijk is het zo dat je weinig keus hebt als eenmaal je tijd gekomen is. Maar je hebt wel degelijk de keus om dit stil over je heen te laten komen, zoals heel menselijk is en waar ook niets mis mee is. Of om dit in alle openheid te laten gebeuren en al je twijfels en angsten aan anderen te vertellen, om hen te doen inzien dat er meer middelen nodig zijn om dit soort ziektes te bestrijden.
In die zin ben ik blij dat ik in Monnickendam woon en dat ik dus een held van nabij heb mogen zien. Pim, ik heb zo’n gevoel dat je zult zeggen: “ja, wat schiet ik hier nou mee op!”, maar voor veel mensen ben ook jij een bron van inspiratie geworden de afgelopen tijd en we zijn er trots op jou te mogen leren kennen.

dinsdag 31 juli 2012

29 Juli 2012, RD 79




Voor mij staat een klein jongetje,6 jaar, blonde haren, de angst voelbaar in zijn grote ogen.
Ik zie hem en merk ineens dat er geen professor Barrabas nodig is om een teletijdmachine te bedienen. Die zit opgesloten in het brein van ieder mens, ook het mijne.

Ineens sta ik daar zelf, bijna 40 jaar geleden, bovenop de steiger, voor de oranje boot van mijn oom, de RD 79. De steiger staat anderhalve meter boven het water, de stap is ongeveer 70 centimeter, in mijn beleving afstanden die te groot zijn om mij genoeg veiligheid te bieden. De zenuwen kriebelen in mijn buik en leggen een knoop in mijn zenuwbanen, waardoor ik verlamd sta, klein jongetje, blonde haren, grote ogen.

Daar is Papa. “Kom maar, Peter-Jan, ik geef je een hand.” Maar dat gaat niet, ik kan niet meer bewegen en sta, stuk levend trillend steen boven aan de loopplank. Grote armen tillen me op, ik doe mijn ogen dicht en…sta aan boord. Moedig doe ik een stap op het voordek. Zie je wel, ik durf best. Het grijze ijzeren dek voelt stevig onder mijn voeten en van stag naar stag stappend loop ik naar de rand, waarvan af je via een ijzeren opstap op het benedendek stapt. Ook dat is een enorme stap voor een zesjarige, maar gelukkig ligt daar geen water onder.

We gaan een dag zeilen op de boot van opa. Toen hij 6 jaar geleden overleed, werd zijn boot de boot van oom Ab, de broer van mijn vader. Sindsdien ligt hij op een vaste plek, vooraan in de haven van Durgerdam, de plek waar hij daarvoor ook al lag. De volwassenen lopen druk door elkaar en wij kinderen doen ons eigen kinderdingen. Ik duik even het vooronder in, een klein hok waar je links en rechts op matrassen kunt liggen met binnen ook nog een koelkastje, een eight-track-speler (hoewel ik toen nog niet wist dat dat ding zo heette) en een gasstelletje. En in een laatje soms een paar snoepjes, altijd fijn voor stiekem zoekende kinderhandjes. Helaas, vandaag niet.

Ik stap het dubbele houten deurtje door, weer aan dek en zie dat de andere kinderen, een neefje en nichtje, rechts op het dek zitten. Ik ga naast ze aan de reling staan, de motor, een oude T-Ford, draait inmiddels met een heidens, loeiend kabaal waar ik ontzettend de pest aan heb.

De volwassenen praten met elkaar op die volslagen onbegrijpelijke manier van praten die volwassenen hebben. Het klinkt allemaal vertrouwd omdat je de stemmen kent, maar de woorden zijn een brij die niet door je hersenen kan worden vertaald. “Hij pingelt een beetje, vind je niet?” “Ja, dat komt omdat ik laatst garmonella getankt in Schieduiven en volgens mij zat daar vuil in.” “O??? Maar heb je daarna je filters wel schoongeroggeld?” “Nee, want de parlefour van de plok maakte zo’n herrie dat ik dacht dat de grommert geschoten was.”
Nou ja….en zo verder…..
Gelukkig gaat even later de motor af en worden de zeilen gehesen, heerlijke stilte, bruisend kielzog, lichte golfslag, hoorbare zonnestralen. Ik sta aan de reling en kijk naar het opspattende water achter het zwaard dat aan de zijkant in het water steekt. Zelfs het altijd drukke hoofd van een zesjarige komt tot bezinning bij het zien van zoveel mooie rust.

Er staat een stevige wind en de boot gaat soms best schuin. Ik vind het een beetje eng, maar zie dat de volwassenen, Oom Ab, Papa en Tante Dick er geen moeite mee hebben. “Hij kachelt er lekker vandoor!” zegt mijn vader. “Ja, ik denk dat er wel een windkracht 4 a 5 staat, dus dat loopt wel lekker,” is het antwoord. “Moet je zien, daar heb je Pampus al!” roept tante Dick, die meestal wat moeite heeft met teveel stilte en dus altijd nog wat harder praat dan de rest van de familie Jong. Schuin naast ons doemt het eiland op met een hoop onduidelijk beton bovenop, een ruïne die wildernis geworden is. “Let je wel op dat je niet te dicht onder de wal komt”, roept iemand, maar het is te laat. De boot schokt hevig en ineens een flinke knal en een plons in het water. “Godverdomme, nou komt mijn mast ook nog naar beneden,”roept oom Ab. Er wordt druk door elkaar gepraat, we zijn wel los, maar de zeilen klapperen in de harde wind. “Omlaag die lappen” en daar worden de zeilen verder omlaag gehaald. En nu de motor starten. Veel gehoest, een hoop gerommel, maar er gebeurt na wat aanvankelijke klappen verder niets. Verderop komt een bootje aan: “Kunnen we misschien helpen?” roept iemand. “Nou, als je een slepie kunt geven tot de haven, dan zou dat fijn zijn.”
Terug in de haven is het laatste woord nog niet gezegd, er wordt hevig gediscussiërd tussen beide broeders, terwijl tante Dick haar best doet om uit te leggen dat we binnen 40 minuten al bij Pampus waren. Blijkbaar was dat heel snel…

(Flits!) Ik zie het jongetje staan en zeg: “Kom maar Jelmer, ik geef je een hand.” Hij doet aarzelend een stapje vooruit, maar blijft plotseling met een lichte trilling staan, afgrijzen in zijn ogen, het natte ravijn van anderhalve meter ziend. “Wacht maar”, zeg ik en stap aan wal, wend zijn blik af en til hem op. “Hou je maar goed vast”, zeg ik. Hij doet zijn ogen dicht en staat 2 seconden later op het voordek.

Mijn gedachten zijn bij hem. Zou hij later net zo’n tijdmachine in zijn hoofd hebben? En zou hij zich dan deze dag herinneren, de dag dat we nog één maal de boot van ome Ab, de oude vissersboot van overgrootopa Jong, de haven uitvoeren? De motor slaat aan, een hoop herrie. We kunnen jammer genoeg niet de zeilen erop zetten, daarvoor zijn de vallen te verrot en dus niet veilig. Ik kijk naar de huisjes, langzaam gaan we de haven uit, zoals dit schip dat al zo vaak heeft gedaan in de laatste 73 jaar. Links doemt het vuurtoreneiland van Engel op, rechts zien we nu Ijburg, op de plek waar opa destijds ook viste, onder de Diemer zeedijk. Ik zie de gaten in het dek, in de stalen “deken” die over de bun gelast is, de groene bankjes. Ik kijk naar mijn vader, die aan het roer zit met naast hem zijn oudste zus, tante Sjouke. Zij zijn de enigen die er nog bij zijn, deze laatste vaart. Ze zeggen niet heel veel. Boven het lawaai van de motor uit hoor ik de stilte, het geruis van het water, ik zie de pracht van het Ijsselmeer, de oude Zuiderzee. Na 10 minuten keren we om en varen langzaam terug naar Durgerdam, weer de rij huisjes, daartussen in de kapel en, naar het lijkt, ook de stompe toren van Ransdorp. Rans Dorp 79. Een lelijke ouwe smerige mooie rooie boot met een lang verleden, terug tot 1933.

Bijna was hij gebleven. Soms is verstand heilzamer dan gevoel.  Maar pijn doet het.

vrijdag 23 december 2011

EUROPEAN FATHER


I grief
My 8 year old daughter lying in a ditch on Haïti
Her eyes closed, just asleep
So beautiful, so beautiful
And so very broken
Therefore, I grief

I grief
My 4 year old son crying in a hospital in Gaza
A soldier didn’t mind
So very sad,  so very sad
Not playing, forever
Therefore, I grief

I grief
My 2 year old daughter dying of AIDS in Africa
Given by her mother
O, so fragile, o, so fragile
A life without a bloom
Therefore, I grief

O Lord
Please be a better father than I have been
And let them play
Forever, forever
In your garden of angels
Amen

woensdag 8 juni 2011

A Trip To Scotland, Dag 7 t/m 13




Zaterdagmiddag, 12 uur. Een wit strand. Een azuurblauwe zee. Zwarte sneakers. Met een geruite voering, dat dan weer wel, ter verhoging van het authentieke Schotlandgevoel.
Zittend tegen een donkere rots merk ik dat mijn telefoon geen bereik heeft. Ik sta op en ga op de rots zitten en…pling!....nu heb ik wel bereik, zij het zwak. Klaarblijkelijk heeft het eiland Iona geen eigen antenne en moet het bereik komen van het 1 mijl aan de overkant liggende eiland Mull.

Ik was die ochtend al vroeg aanwezig in het dorpje Fionnphort, teneinde de pont te nemen welke mij naar Iona zou brengen, voorlopige eindbestemming van mijn fietstocht. Wat ik daar aan zou treffen, daar was ik nu toch echt benieuwd naar. Ik had mij ingeschreven als gast bij de “Iona Community”, volgens de website een oecumenische gemeenschap welke in 1938 is opgezet door een pater, genaamd Macleod. In eerste instantie was het een opleidingsplek voor priesters en het doel was het weer opbouwen van de zwaar vervallen 13e eeuwse abdij, welke op het eiland stond. Hiertoe werden werklozen aangetrokken uit o.a. Glasgow, welke werden uitgenodigd te verblijven in de community tegen kost en inwoning en intussen de boel op te bouwen.

Toen uiteindelijk de abdij weer stond konden ook anderen deelnemen aan de spirituele bijeenkomsten die door de Community werden georganiseerd en heden ten dage is dus iedereen, ongeacht zijn of haar geloof welkom om gedurende een week in groepsverband een eigen “community” te vormen.
Ik weet het, het zal sommigen wat al te dwingend in de oren klinken en ik zelf was in eerste instantie ook zeer sceptisch en heb dus tevoren enige zeer kritische vragen gesteld welke eigenlijk neerkwamen op: “Jullie zijn toch geen sekte hé?” De antwoorden waren echter dermate geruststellend dat ik dus op zaterdagmiddag 12 uur met een rustig gemoed op het witte strand zat.
Overigens had ik, wellicht om toch een gezond tegengeluid te krijgen, mij op deze tocht laten vergezellen door het mooie boek uit 2007 van Herman Vuijsje “Tot hier heeft de Heer ons geholpen”. Vuijsje, die eigenlijk socioloog en tevens overtuigd atheïst is, beschrijft hierin waarom volgens hem het onontkoombaar is dat het westen en Nederland in het bijzonder binnen 100 jaar zonder kerk zullen zitten en welke invloed het afnemend Godsbesef heeft op de moraliteit binnen onze samenleving.  Een verhelderend boek, waarin ook en passant de laatste eeuwen religie onder de loep worden genomen.
Kortom: een verblijf bij de Iona Community kan zeer verfrissend werken, indien je even wilt loskomen van de jachtigheid en negativiteit  welke, met name in ons land, alom aanwezig is. Het is, zo wordt echter gewaarschuwd, geenszins een retraite, er wordt wel degelijk een actieve rol van een ieder verwacht. Mij deed het nog het meest denken aan het Doopsgezind Broederschapshuis waar ik vroeger met mijn ouders veel kwam. Er werden bijvoorbeeld corveeploegen ingedeeld. Ik was gelukkig genoeg om bij de ontbijtploeg te zitten. Dit had tot voordeel dat je zodanig vroeg moest opstaan (rond half zeven) dat je in ieder geval zonder meer één van de vier douches (op 45 personen) kon gebruiken, zonder haast maken.
Vervolgens moesten de tafels gedekt worden, de toast bereid (gelukkig machinaal) en aan tafel werd je geacht je mede-disgenoten te bedienen. Maar daarna….vrijheid, blijheid.
De verdere activiteiten waren dus facultatief, maar ik besloot aan zoveel mogelijk mee te doen. En dus togen wij gezamenlijk allen na het ontbijt naar de abdijkerk voor een dienst van 20 minuten, gingen mee op excursies over het eiland en naar het nabijgelegen eiland “Staffa” , alwaar “Fingals cave” in 1829 de inspiratie vormde voor Felix Mendelssohn Bartholdy om zijn Hebriden-ouverture te schrijven. Onderweg werden verhalen verteld over het ontstaan van de gemeenschap op Iona en de abdij, welke uiteindelijk terugging tot de 7e eeuw, toen St. Columba, een Ierse koningszoon, hier landde en het eerste klooster stichtte.
Mijn medebewoners waren vogels van zeer diverse pluimage. Natuurlijk was er de onvermijdelijke groep Nederlanders, welke soms nogal eens de neiging had om in het Nederlands te converseren, hetgeen door mij steevast in het Engels beantwoord werd. Verder uiteraard een grote groep Britten, maar ook Duitsers, Australiers, Amerikanen en zelfs een paar mensen uit Zambia die aldaar iets soortgelijks wilden opzetten. Allen hadden echter dezelfde nieuwsgierigheid en belangstelling voor elkaar gemeen, een eigenschap die je nog maar weinig tegen lijkt te komen. Ik voelde me daar al heel snel thuis, ondanks het feit dat ik de dagen ervoor fluitend alleen op mijn fiets had doorgebracht.

Wat mij vooral opviel was dat de diensten, naast die van de ochtend was er ’s avonds een sluiting, welke ook 20 minuten duurde, zo’n relatief licht karakter hadden. Hier in Nederland kreeg ik nogal eens wat zwaarmoedige verhalen over me heen. Nu ben ik zacht gezegd niet zo’n trouw kerkganger, maar had in mijn jeugd verkering gehad met een domineesdochter, dus had toch één en ander gezien en gehoord.
 Op Iona zat echter hier en daar een gezonde dosis, ik zou haast zeggen, Python-iaanse humor in de diensten. Zo werd één der diensten geleid door de kok, welke in het dagelijks leven hoogleraar voedingsleer bleek te zijn. Van haar kregen wij, zittend in de kerk, de opdracht te roepen welk produkt we het lekkerst vonden. Haar verhaal was vervolgens een parabel waarin ze het geloof gelijktrok met het samenstellen van een gerecht. Het klonk wel lekker. En tot slot barstten wij allen uit in een gezang ter ere van het eten, waarvan de tekst werd gezongen op een bekende wijs van Gilbert & Sullivan.
Aan het eind van de week kon ik vaststellen dat er een aantal mensen bijgeschreven konden worden in “mijn vriendenboekje”, hetgeen bijzonder mag heten na een zo korte tijd samenleven.
Doordat we echter gedurende die week echt samen leefden, was er al gauw een behoorlijke band.
Voor mij was dit gedeelte van mijn reis vooral een opluchting omdat ik er achter kwam dat er wel degelijk mensen in de wereld bestaan die nog geloven in een maakbare toekomst, die positief staan ten opzichte van anderen en die zich betrokken voelen bij wat er in de wereld gebeurt. Een verademing, wetend dat in diezelfde periode in Nederland een regering werd gevormd die voor alles staat wat het tegenovergestelde hiervan is.
Tot slot stelde ik mezelf de vraag: “ben ik nu geloviger en/of religieuzer geworden door mijn verblijf op Iona?” Ik kan meneer Vuijsje enigszins geruststellen. Hij krijgt van mij enerzijds gelijk, doch ik ben mij wel bewuster geworden van mijn mening omtrent het al dan niet bestaan van een God en/of hogere macht. Wat deze mening is, laat ik aan u. Ik kan slechts zeggen: “Blijft u verwonderen!”